Recensie

Dit boek wasemt de honderden geuren van Idaho

Idaho is een zelfverzekerd en ambitieus debuut over een moordzaak en herinneringen, waarin een vergeten staat een literair gezicht krijgt.

Illustratie Paul van der Steen

Ik kon niet meer verder; ik was moe, misselijk, uitgeteld. Ik parkeerde de auto diep in het naaldbos en probeerde te slapen op de achterbank, de portieren op slot, bedacht op alle mogelijke beesten: poema’s, beren en mensen. Om me heen hing de stilte van de Bitterroot Mountains van Idaho, een stilte die, zoals de in deze flyover state geboren Marilynne Robinson ooit zei, geen absentie suggereert, maar een aanwezigheid. Zij bedoelde daar iets subliems mee, iets goddelijks, wellicht, maar het voelde bedreigend.

Er zijn plekken in Amerika die zo afgelegen zijn dat voor je gevoel alles er zou kunnen gebeuren; de temperende hand van de beschaving heeft er niet dezelfde kracht en morele grenzen – inclusief die van jezelf – lijken poreuzer. Mensen leven er dichter op de natuur, zeker in de winter onder zware omstandigheden, en de natuur betekent ook: de dood. Ik wist dat de vader van schrijver Chuck Palahniuk was vermoord in het nabije Latah County, door de ex-man van zijn nieuwe vriendin. Hij schoot Donna door het achterhoofd en Fred Palahniuk in de buik en stak daarna het huis in brand. Wat me aan dat verhaal nog het meest verbaasde, was dat de dader was gepakt.

Emily Ruskovich’ debuutroman Idaho draait rond een zo mogelijk nog vreselijkere misdaad. Op een warme augustusdag in 1995 slaat moeder Jenny in een pick-uptruck met een hakbijltje het hoofd van haar zesjarige dochtertje May in. Haar andere dochter, de negenjarige June, vlucht het bos in, om nooit meer te worden teruggevonden. Er is op het oog geen aanleiding, geen verklaring. Jenny verdwijnt achter slot en grendel, vader Wade blijft achter in een huis in het noorden van Idaho, met herinneringen die worden aangevreten door zich vroeg manifesterende dementie, een familiekwaal.

Eén achteloze zwaai

Dat dit boek geen whodunnit is, is vanaf het prille begin duidelijk – de dader wordt er door Ruskovich direct bijgelapt. Dan, denkt de lezer, zal het wel een whydunnit zijn, het afpellen van de geschiedenis tot de motivatie bloot komt te liggen en we het boek kunnen sluiten met de geruststellende gedachte: o, dáárom dus. De motor van het verhaal is Ann, de nieuwe vrouw in het leven van Wade, een pianolerares met een zorgcomplex en een vergaande interesse in ontrafelen wat er nu precies met Wade’s eerste gezin is gebeurd, een interesse die leidt tot een bijzondere band tussen beide echtgenotes. Maar evenmin als Ann krijgt de lezer een eenduidig antwoord voorgeschoteld. Zelfs wanneer we in de huid van de moordenares kruipen – die in gevangenschap hoopt te creperen en zichzelf nog niet het geringste genoegen gunt – ontglipt het antwoord ons. Misschien komt haar celgenote Elizabeth nog het dichtstbij met een simpele vaststelling: ‘Een moeder die met hart en ziel van haar kind houdt is tenslotte maar een haarbreedte van het bijltje verwijderd; één achteloze zwaai en het is gebeurd.’

Dit zelfverzekerde en ambitieuze debuut gaat vooral over herinnering: de aanmaak ervan, het rafelen, de prijs en de zegen van vergeten. In de openingsscène, die negen jaar na de moord afspeelt, treffen we Ann in de bewuste truck, die bovenaan een helling geparkeerd staat, ‘waar hij regen verzamelde in diepe deuken in de motorkap en muggenlarven in het regenwater’. (Ruskovich komt zelf uit ruraal Idaho en maakt in evocatieve details gebruik van geleefde geschiedenis.) Ze probeert zich een beeld te vormen van de fatale dag zonder dat Wade het merkt. Wade, die door zijn ziekte geneigd is tot kleine, onmachtige vormen van huiselijk geweld en die in een treffende episode het huis tot gatenkaas reduceert, een metafoor voor zijn brein.

Proust liet al zien dat geur van alle zintuigen het sterkst verbonden is met herinneren, en dit boek wasemt honderden geuren. Het begint met de geur van een muizennestje onder de motorkap, verbrand toen de auto met ongedierte en al wegreed. Wade bewaart nog altijd zijn handschoenen van toen, waar die geur in is getrokken, ‘de laatste geur in het haar van zijn dochter’. ‘De geur zou er ook op de terugweg zijn geweest,’ schrijft Ruskovich. ‘Het is de enige constante. Hij verbindt twee dingen in Anns gedachten die ze niet op een andere manier met elkaar in verband kan brengen – de rit bergopwaarts en de rit omlaag. De rit omlaag is het deel dat Ann hier wil proberen te begrijpen.’ Tegen het eind van het boek kruipen we zelfs in de huid van de bloedhond die probeert de gevluchte June op te sporen. Alles in die scène is geur.

Ook de fragmentarische opbouw van het boek reflecteert de aard van herinneren. We springen van gezichtspunt naar gezichtspunt, maar vooral door de tijd. Herinneringen zijn niet lineair: de jaren en de momenten liggen in scherven op de grond, flink gehusseld. Ruskovich durft het aan het geduld van de lezer op de proef te stellen, andermaal een teken van haar volwassenheid.

Dat neemt niet weg dat er nog best wat valt aan te merkent. De fragmentarische opbouw lijkt soms een excuus materiaal in te voegen dat eigenlijk een Fremdkörper is, zoals de – op zich zeer krachtige – scène waarin een schooljongen zijn been verliest. En haar taal, hoe ingetogen en precies ook, verraadt te vaak de grote, gelijkmakende invloed van het Amerikaanse Workshop-proza. (Ruskovich studeerde af aan de fameuze Iowa Writers’ Workshop.) Maar het is haar vergeven, want zowel in rijkdom, thematiek als beheersing is dit debuut vele andere ver voorbij. Bovendien: met uitzondering van Marilynne Robinson, heeft geen schrijver Idaho, die vergeten en vaak weggelachen staat, zo duidelijk een literair gezicht gegeven.