Column

Zwart gezin in nood

Zonder Gordon Parks zou ik nooit van het gezin Fontenelle hebben gehoord. Parks (1912–2006) is de zwarte fotograaf die het leven van arme Afro-Amerikaanse gezinnen en individuen als geen ander heeft vastgelegd. Zijn foto’s, tot 6 september te zien in het Amsterdamse Foam Museum, hebben nog steeds een schokkende actualiteit, nu veel zwarte Amerikanen weer scherp protesteren tegen racisme en achterstelling.

Parks’ foto’s van het gezin Fontenelle zijn maar een klein onderdeel van de tentoonstelling, maar ze zijn er niet minder schrijnend om. Zo zien we een wanhopige moeder, Bessie, omringd door vier van haar negen kinderen, hulp vragen bij het bureau van de Poverty Board in Harlem. Op een andere foto ruimt een dochter thuis de rotzooi op.

Hoe kon Parks al die intieme foto’s maken? Het tijdschrift Life wilde in 1967 de leefomstandigheden van zwarte gezinnen in Amerikaanse getto’s laten vastleggen. Parks koos voor één zwart gezin, dat van de werkloze Norman en Bessie Fontenelle in Harlem, dat de misère van zwart Amerika moest belichamen. Hij ging gedurende een maand bij het gezin wonen in hun flatje vier hoog in Harlem. Hij maakte deel uit van het gezin, de kinderen zagen hem als ‘oom Gordon’.

De positie van Parks als fotograaf was lastig. Hij besefte dat hij geen verhaal meer had zodra hij het nooddruftige gezin met geld en goederen zou helpen. De ouders moeten dat begrepen hebben, want ze lieten hem zijn werk doen, ook toen de sfeer in het gezin zeer gespannen werd. Op een dag sloeg Norman zijn vrouw in elkaar, waarop zij wraak nam door hem een kan met kokend water in zijn gezicht te gooien. Kort daarna fotografeerde Parks haar terwijl ze radeloos met een van haar kinderen op bed ligt. Parks maakte ook foto’s van de vader die, vertwijfeld met geschonden gezicht op zijn ziekenhuisbed, zijn zoon ontvangt.

De fotoserie maakte veel los bij de lezers van Life. Ze doneerden zo veel geld dat het gezin kon verhuizen naar een huisje in Queens, waar de vooruitzichten voor de kinderen beter waren. Ook Life was, onder druk van Parks, bereid mee te betalen; bovendien hielp het blad Norman aan een baan.

Eind goed al goed? Was het maar waar. Een dronken Norman viel in slaap met een brandende sigaret, waarna het huis vlam vatte. Norman en een zoon stierven in het vuur, Bessie overleefde met haar andere kinderen. Zij was altijd de spil van het gezin geweest en ze zag maar één uitweg: terug naar Harlem.

Een fatale beslissing. Life hielp weer met geld en een comfortabel appartement, maar het gezin was te labiel geworden om het op eigen kracht te kunnen redden. De kinderen kwamen in de drugscriminaliteit en de prostitutie terecht en stierven jong. Behalve zoon Richard. Geholpen door Parks richtte hij zijn leven beter in dan zijn broers en zussen. Bessie stierf in 1990.

Het siert Parks dat hij na zijn reportage veel voor het gezin heeft gedaan. Misschien deed hij het ook uit een zekere gewetenswroeging. „Het probleem van zo’n documentaire”, zei hij later, „is dat je je uiteindelijk afvraagt of je zo’n gezin niet beter met rust had kunnen laten in plaats van je ermee te bemoeien.”

Zonder geld waren ze ongelukkig, maar mét geld werden ze nog veel ongelukkiger.