Politiek heeft nauwelijks invloed op lonen op school

Lerarensalarissen

Het is onwaarschijnlijk dat er een nieuwe cao er komt voordat er een nieuw kabinet is. Politici roepen voor de bühne, vindt AOb.

Krijgen Ruttes VVD en andere formatiepartijen applaus voor salarisverhoging? Foto Bart Maat/ANP

In Den Haag gaat de discussie rond lerarensalarissen vooral over wie met de politieke eer mag strijken. Komt die de PvdA toe, omdat die partij in het demissionaire kabinet nog weet te regelen dat juffen en meesters op de basisschool beter beloond worden? Of zullen VVD, CDA, D66 en ChristenUnie die vanaf de formatietafel een salarisverhoging orkestreren er applaus voor krijgen?

Wat de harrewarrende politici verzwijgen, is dat zij helemaal niet gaan over de hoogte van de lerarensalarissen. Zij beslissen, via de onderwijsbegroting, wel hoeveel geld er in Nederland in totaal aan het onderwijs wordt uitgegeven. Ze splitsen dat budget ook op, in delen voor primair onderwijs, voortgezet onderwijs, mbo, hbo en universitair onderwijs. Maar hoeveel geld docenten die voor de klas staan precies ontvangen, daar hebben ze vrijwel niets over te zeggen.

„Voor het verhogen van de salarissen hebben wij geld nodig uit Den Haag”, zegt Robert Sikkes van de Algemene Onderwijsbond (AOb). „Maar uiteindelijk is het tussen de bonden en werkgevers – de schoolbesturen – hoe dat besteed wordt. Het ministerie onderhandelt niet mee over de cao en kan ook niet bepalen of controleren waar het geld terechtkomt.” Een woordvoerder van het ministerie van Onderwijs bevestigt: „De werkgevers in het onderwijs hebben grote ruimte om zelf prioriteiten te bepalen en te beslissen waar het geld aan wordt uitgegeven.”

Politiek feest

Tot 2006 moesten basisscholen voor al hun uitgaven toestemming hebben van het ministerie. In onderwijsland wordt, overdreven, gezegd dat tot die tijd elk potlood op het departement gedeclareerd moest worden. Elf jaar geleden ging het primair onderwijs als laatste onderwijstak over naar het zogeheten lumpsumsysteem. Sindsdien geldt voor het hele Nederlandse onderwijs dat de gezamenlijke schoolbesturen in een sector één groot bedrag krijgen dat ze min of meer naar eigen inzicht mogen uitgeven. Er wordt wel per instelling apart berekend hoeveel geld er nodig is voor salarissen en hoeveel voor onderhoud aan gebouwen. Maar een school mag geld dat bedacht is voor het belonen van docenten ook uitgeven aan een nieuw ict-systeem of een lekkend dak. Al moeten ze zich uiteraard wel houden aan de collectieve arbeidsovereenkomst (cao).

Zo kan het dus dat politiek feest gevierd wordt dat de lerarensalarissen omhoog gaan, terwijl de onderhandelingen daarover dan nog moeten beginnen. Sterker nog, het is onwaarschijnlijk dat een nieuwe cao er komt voordat er een nieuw kabinet is, zeggen betrokken onderhandelaars. Dat politici roepen dat zij de salarissen verhogen en dat dat nu moet gebeuren, is voor de bühne, bevestigt Sikkes, van de AOb.

Het lumpsumsysteem geeft schoolbesturen grote vrijheid en flexibiliteit, maar heeft niet louter fans. De Rekenkamer is al jaren kritisch. Van de miljarden die de afgelopen jaren in het onderwijs geïnvesteerd zijn is niet duidelijk of die gebruikt zijn waar ze voor bedoeld waren.

Ook in de Tweede Kamer is het enthousiasme tanende. Drijvende kracht achter de kritiek daar is Pieter Duisenberg (VVD), die overigens deze week aankondigde dat hij uit de Kamer vertrekt om lobbyist te worden voor de gezamenlijke universiteiten. Hij hekelt vooral het gebrek aan transparantie en controle op het belastinggeld dat naar onderwijs gaat. Of de het lumpsumsysteem tijdens de formatie ter discussie staat, willen betrokken partijen niet zeggen.

Honderden miljoenen

Sommige politieke partijen aarzelen om extra geld te geven, omdat eerdere keren dat er salarisafspraken werden gemaakt die leraren ten goede moesten komen. In 2008 trok toenmalig onderwijsminister Ronald Plasterk een miljard uit en sprak met de sector af dat leraren daarvan beter beloond zouden worden. Maar de schoolbesturen kwamen hun afspraak om 40 procent van de basisschoolleraren in een hoge schaal te zetten niet na. En het geld is wel op.

Het kabinet-Rutte II regelde, in akkoorden met D66, CU en SGP, honderden miljoenen voor meer en betere leraren. „Maar we weten niet of die er ook gekomen zijn”, zegt Duisenberg.

Alle betrokken partijen erkennen dat er fouten gemaakt zijn en dat het nu beter moet. Gunstig voor de leraren is dat werkgevers én bonden zich eraan hebben gecommitteerd dat extra geld direct naar hen moet. Het ministerie zegt dat geld ook „onder voorwaarden” kan worden gegeven. Dus pas als er een nieuwe cao is.