Jantje Contantje, een domme Joris en een hele Hans

Ewoud Sanders geeft toptiens van taalfenomenen. Vandaag: voornamen.

‘Mijn vader heette Piet en ik Jan. Hoewel dat een veelvoorkomende Nederlandse voornaam is, werden er veel grapjes mee gemaakt – vooral vroeger. Hé Jan Doedel, je maakt je er zeker weer met een Jantje van Leiden vanaf, enzovoorts. Mijn vader had dezelfde ervaring, maar dan met zíjn naam. Daarom stuur ik u deze toptien.”

In die toptien stonden allerlei uitdrukkingen met ‘Jan’ en ‘Piet’. Ik heb er een selectie uit gemaakt, de lijst aangevuld en voor zover de ruimte het toeliet, de uitdrukkingen van wat historische informatie voorzien.

1. Bram In de negentiende de eeuw zei men: hij is een echte Bram. Daarmee bedoelde men, aldus het Woordenboek der Nederlandsche Taal: „Iemand die zich onderscheidt door kostbare, opzichtige kleedij, door groote verteringen, in het algemeen door een weelderig of losbandig leven.”

2. Hans Komt voor in uitdrukkingen als arme Hans (‘stakker’), vreemde Hans (‘vreemde snuiter’) en een hele Hans (‘iemand van betekenis’, een hele Piet dus). De dood is wel Hans Mors genoemd, schraalhans is bekend uit de uitdrukking schraalhans is keukenmeester (‘er is niet veel te eten’).

3. Hendrik Een al te grote braverik wordt een brave Hendrik genoemd. Dit naar De brave Hendrik van Nicolaas Anslijn (1777-1838), een populair schoolboek waarin een tergend brave jongen als voorbeeld werd gesteld.

4. Jan Het Nederlands telt vele tientallen uitdrukkingen met Jan, meer nog dan met Piet. Denk aan: Jan en alleman; ome Jan (‘bank van lening’); Jantje Contantje (‘iemand die geregeld contant betaalt’); Jantje Content (‘een tevreden ziel’); Jantje Contrarie (‘dwarskop’); Jan Kordaat (‘een dappere kerel’); Jan(tje) Kaas (‘de Nederlander’) en Jantje Secuur (‘een Pietje Precies’), enzovoort. Voor de ‘gewone man’ kennen we o.a.: Jan Boezeroen, Jan Lul, Jan met de korte achternaam en Jan met de pet.

5. Joris Joris Goedbloed (‘een goedgelovig iemand) komt al sinds het begin van 19de eeuw voor, maar werd vooral bekend als stripfiguur van Marten Toonder (1912-2005). Joris Driepinter (‘een mannetjesputter’) gaat terug op een personage in melkreclames, in 1961 bedacht door Dimitri Frenkel Frank (1928–1988). Minder bekend: het is een domme Joris (‘een domkop’).

6. Pier Iemand die de schuld krijgt van iets dat niet naar wens verloopt wordt de kwaaie Pier genoemd. De herkomst is onzeker; sommige naslagwerken verwijzen naar de apostel Petrus, andere naar de Friese krijgsheer ‘Grote Pier’ (Pier Gerlofs Donia, 1480-1520). Zeker is dat Pier hier een verbastering is van Pieter. Men sprak ook van bonte, malle en stijve Pier.

7. Piet Iemand kan een hele Piet zijn. Dan wel een hoge of rijke Piet. En tegelijk een saaie of stijve Piet. Malle Pietje vind je meestal in de verkleinvorm. Vaak te horen: Piet Snot, Piet Lut en pietluttig en Pietje Precies (‘een Jantje Secuur’).

8. Klaas Een lange Klaas is een lummel, een houten of stijve Klaas een ongemakkelijk bewegend, stijf persoon. Klaas Vaak is in oude volksverhalen het zandmannetje dat kinderen zand in de ogen strooit zodat ze in slaap vallen. De uitdrukking Jan, Piet en Klaas betekent ‘iedereen, het hele volk’.

9. Trijn Eindelijk een vrouw! Van wijntje en trijntje houden betekent ‘graag drinken en vrijen’. We zien de vrouw hier dus als lustobject. Het is Joris en Trijn betekent ‘nu eens allemaal liefde wat de klok slaat, dan weer de grootste ruzie’.

10. Wilhelmina Volgens de Dikke Van Dale betekent wilhelmina-vooruit ‘vrouw met grote boezem’. Waarschijnlijk naar de Nederlandse vorstin Wilhelmina (1880-1962).

schrijft over taal. Twitter: @ewoudsanders