Opinie

Doe kritiek op meerouderschap niet af als conservatief

Het ‘progressieve’ voorstel voor meerouderschap en -gezag is duidelijk geschreven met het oog op het belang van de wensouders en niet met het oog op de behoefte van kinderen, schrijft .

Getty Images/iStockphoto

Als de voortekenen niet bedriegen krijgen we met het volgende kabinet-Rutte niet bepaald meer progressief beleid, noch van de aanpak van de vluchtelingenproblematiek, noch op het gebied van het milieu, noch op sociaal-economisch terrein. Het is opvallend hoe desalniettemin een aantal spindoctors en sommige media de te verwachten rechtse koers toch met een lintje ‘progressief’ proberen op te sieren. Dan gaat dat lintje ineens om de wet op het voltooid leven en om het voorstel voor meerouderschap en meeroudergezag.

Het bericht dat beide voorstellen in de formatiebesprekingen voorlopig on hold zouden worden gezet was voor een groepje Amsterdamse D66’ers reden om de onderhandelaars van hun partij en de VVD een brief te schrijven: „Velen hebben op jullie gestemd om onze vrijheden te vergroten, niet te laten inperken door een kleine minderheid.” Nog dezelfde dag wierp commentator Raoul du Pré in de Volkskrant de vraag op of Rutte III „meevaart op conservatieve wind”.

Het is hen kennelijk ontgaan dat het voorstel van de Staatscommissie Herijking ouderschap om juridisch meerouderschap en meeroudergezag mogelijk te maken het afgelopen half jaar in het veld van uiteenlopende kant op scherpe kritiek is gestuit. In het Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht zetten de (oud)hoogleraren Doek en Vlaardingerbroek vraagtekens bij het voorstel. Dat gebeurde ook bij de rondetafelbijeenkomst van de Vaste Commissie voor Veiligheid en Justitie. Oud-kinderrechter Nanneke Quick merkte daar bijvoorbeeld op: „Vier mensen die alle vier zielsveel van een kind houden is prachtig, maar mij is niet duidelijk wat het toevoegt dat deze mensen alle vier macht over het kind kunnen uitoefenen.” Die kritiek laat zich absoluut niet in het frame van het ‘conservatisme’ persen. De critici verdedigen niet het klassieke tweeoudergezin maar het belang van het kind.

Over kwesties als erfrecht en onderhoudsplicht

Het voorstel van de Staatscommissie is duidelijk geschreven met het oog op het belang van wensouders en niet met het oog op de behoefte van kinderen. Men hoeft geen rekenwonder te zijn om te beseffen dat de kans op uiteenvallen van een meervoudige opvoedingssituatie toeneemt naarmate er meer volwassenen in participeren. De kans dat een van de opvoeders uit zo’n constellatie stapt is immers groter dan bij twee ouders. Voeg daarbij de reële kans dat ex-partners daarna een nieuwe relatie aangaan en het is duidelijk dat de situatie voor het kind bijzonder complex en instabiel kan worden zodra de ex-en met ruzie uiteengaan en eisen stellen. Laten we er vooralsnog maar van uitgaan dat ex-regenboogpartners net zulke normale mensen zijn als andere ex-en en dus net zoveel ruzie zullen maken.

Niet iedereen lijkt echter precies door te hebben waar het om gaat. Zo schrijven de verontruste D66’ers dat regenboogfamilies „alleen maar samen willen liefhebben en zorgen”. Daar is natuurlijk niemand tegen en dat moeten ze vooral doen, maar daar gaat het niet om! Zo verdedigde de pedagoog Rien van IJzendoorn onlangs meeroudergezag in datzelfde tijdschrift door te verwijzen naar zijn oude studie van opvoeding in kibboetsen, die aantoonde dat drie co-ouders „geen probleem vormen voor baby’s” terwijl uit een andere studie bleek dat de band met de leidster van een kinderdagverblijf „geen negatieve invloed had op die met de ouders”. Tenslotte zette hij zijn pleidooi kracht bij met de boude bewering dat „meervoudig ouderschap is ingebakken in onze natuur”.

Deze inzichten zijn echter allemaal volstrekt irrelevant voor de kwestie van meerouderschap en -gezag. Dat zijn immers twee juridische constructies met specifieke rechtsgevolgen. En ik denk dat Van IJzendoorn het met mij eens is dat juridische constructies niet in de menselijke natuur zitten ingebakken. Het is fijn om bevestigd te zien dat een kinderdagverblijf de band tussen ouders en kind niet in de weg hoeft te staan. Maar dat gegeven heeft niets te maken met juridisch ouderschap – dat gaat over kwesties als erfrecht en onderhoudsplicht – noch met de vraag wie het juridisch gezag heeft over het kind en dus in formele zin mag beslissen in zaken betreffende opvoeding en verzorging van het kind.

Altijd weer dat armoedige voorbeeld

Het is ook opvallend dat voorstanders voortdurend met hetzelfde armoedige voorbeeld van de ‘medische noodsituatie’ komen om aan te tonen dat het niet hebben van ouderlijk gezag door iemand die heel veel voor een kind zorgt voor ernstige problemen kan zorgen in het nadeel van het kind. Zo beweert Sander Beunk in de Volkskrant van 21 augustus dat hij als hij met het biologische kind van zijn vriend bij een ziekenhuis terecht komt, er een probleem zou ontstaan omdat hij geen beslissing zou kunnen nemen. Artsen handelen in een noodgeval echter zelf op basis van het beginsel van goed hulpverlenerschap. Overigens zullen de meeste hedendaagse ouders en verzorgers zich ook realiseren dat rechtsgeldige toestemming in zo’n geval met alle hedendaagse hulpmiddelen betrekkelijk gemakkelijk is te realiseren.

De voorstanders zouden zich serieus moeten afvragen of het regenbooggezin in de huidige situatie in ons land werkelijk zo slecht af is. Immers, sociale ouders hebben nu al rechten op grond van ‘family life’. En in plaats van de kritiek af te doen als ‘conservatief’ zouden ze op zoek moeten gaan naar overtuigende argumenten die echt wijzen op het belang van het kind bij meerouderschap en meeroudergezag. In het rapport van de Staatscommissie zullen ze die in elk geval niet vinden.