B e e s t j e s

Foto istock

De ochtend dient zich aan als een vale rechthoek achter het gordijn. Sasha ligt met haar rug naar hem toe, vormloos onder het dekbed.

‘Ben je wakker?’ vraagt hij.

Hij wil Sasha over zijn droom vertellen voordat het beeld hem ontglipt: zijn gezicht waar dik zwart haar uit groeit, sneller dan hij zich kan scheren. Ogen en mond raken bedekt. Hij ziet niks meer, krijgt geen lucht, schrikt wakker. Sasha heeft weleens een boek gelezen over dromen, meent van sommige de betekenis te weten.

Grijs daglicht vult de kamer. Zo stil als de ochtend ligt ze naast hem. Zelfs haar ademhaling hoort hij niet, zoals eerder die nacht. De lucht die ze uitblies leek van grote diepte te komen, alsof het de aarde zelf was die hij hoorde. Ze leek voor twee te ademen.

Sinds ze hier wonen worden ze wakker in een deken van mist, die ’s morgens rond de bungalow ligt. Pas als de zon begint te klimmen trekt het open.

Ons huis staat in de wolken, zegt Sasha tegen vrienden, we wonen in een droom.

Op zijn werk heeft een van de jongens ook zo’n uitspraak. Ik heb een sprookjeshuwelijk, zegt zijn collega, iedere ochtend word ik wakker naast een heks.

Hij zet de tv aan, ploft op de bank. De eerste wedstrijd is pas ’s middags, maar hij moet iets horen, de ochtend is zo wit en stil, hij heeft het gevoel erin te verdwijnen, erin op te lossen zoals de nacht erin oplost.

Op National Geographic is een programma over parasieten. Een man gaat op excursie in de jungle van Suriname en krijgt bij thuiskomst overal jeuk. Na een paar weken scheurt de huid open en kruipen er beestjes uit hem.

Sasha komt in haar pyjama de kamer in gelopen, haar lange haren ongekamd. Voor de schuifpui blijft ze staan. De mist is al wat opgetrokken. Ze vloekt.

Tussen de nevelslierten door is het terras zichtbaar en daarachter het gazon, dat nog niet echt een gazon is; hij heeft deze week pas gras gezaaid. Verspilde moeite: overal in de tuin zijn molshopen verschenen.

‘Dat komt ervan als je alles uit de grond trekt,’ zegt hij.

Toen ze het huis kochten stond er een berk in de tuin, een iep, een pijnboom. ‘Die dingen blokkeren het zonlicht,’ had Sasha gezegd. Snoeien vond ze niks. ‘We blijven aan de gang.’

Hij grinnikt om haar beschuldigende blik, alsof ze hem ervan verdenkt de molshopen te hebben gegraven.

‘Wat sta je nou stom te lachen?’

Toen ze hem vorige week zo toesnauwde – waar het om ging herinnert hij zich niet eens meer – had hij gevraagd of ze soms last had van haar maandelijkse kwelling; ze had er een hekel aan als een man haar die vraag stelde; daarom stelde hij hem. Maar in plaats van geïrriteerd te raken had ze hem koeltjes aangekeken en nee geantwoord, alleen maar nee, en toen weer gezwegen.

Hij wachtte op de maar.

‘Maar?’ vroeg hij toen het stil bleef.

‘Maak je nog maar geen zorgen,’ had ze gezegd. Misschien was ze deze maand gewoon wat later. ‘Ik ben geen Zwitsers uurwerk,’ had ze gezegd.

Kijkend naar de hoopjes aarde in de tuin vraagt hij zich af of het met Sasha net zo zal gaan. Of je het plotseling aan haar zal kunnen zien, van de ene dag op de andere.

‘Wat gaan we eraan doen?’ vraagt ze.

Hij haalt zijn schouders op. ‘Het is jouw gazon.’

De eerste helft zit erop. Vanaf de bank ziet hij Sasha in kleermakerszit op bed zitten, de laptop voor zich op het matras. Zo zit ze altijd als ze ergens de pest in heeft.

Door de schuifpui kijkt hij de tuin in. Hij probeert zich het stelsel van gangen en holen voor te stellen. Eigenlijk weet ik maar heel weinig, denkt hij. Net genoeg om dat te weten, maar dan nog is het niet veel. De grond zit vol met leven, vlak voor mijn voeten ligt een hele wereld waar ik niks vanaf weet, bevolkt door mij onbekende wezens.

Hoe ziet een mol er eigenlijk uit? Dat is iets waarvan hij weet dat hij het niet weet – hoe zit het met zaken waarvan hij niet weet dat hij het niet weet? En met zaken waarvan hij op de hoogte denkt te zijn, maar die in werkelijkheid heel anders in elkaar steken? Nee, denkt hij, ik weet echt maar heel weinig. Dat de wedstrijd weer begint. Onder die grasmat geen verborgen wereld. Twee doelen, twee teams, een bal – een overzichtelijke zaak.

Hij hoort Sasha rommelen in de garage, ziet haar uit zijn ooghoek door de tuin lopen. Ze heeft iets in haar handen, maar is al uit zicht als hij zijn hoofd draait om te zien wat.

Even later staat ze buiten voor de pui. Rode vlekken in haar gezicht, vochtige ogen. ‘Hij heeft handjes,’ zegt ze als hij de deur opent. ‘Echt handjes.’

Naast een van de molshopen staat een jerrycan, daarnaast ligt een schep. Hij ziet iets zwarts bewegen, ruikt dan de benzine. De vacht van het dier glimt. Er kleeft aarde aan. Hij kijkt naar de handjes, naar de snuit. Net een klein varkentje, denkt hij, en raakt bevangen door een vlaag van bijna vaderlijke tederheid. Het dier wassen. Het in een handdoek wikkelen, tegen zich aan klemmen. Maar als hij de mol aanraakt krimpt hij ineen als een plastic zak in een vuur.

Hij draait zich om naar Sasha. Haar schouders hangen, haar armen, haar lange bruine haar slapjes langs haar lijf.

‘Je bent eraan begonnen,’ zegt hij, ‘nu ga je het afmaken ook.’

Hij staart naar de tv zonder de wedstrijd te volgen. Pas als het stadion begint te juichen, hij een speler op zijn knieën over het gras ziet glijden, gebalde vuisten in de lucht, heeft hij door dat er gescoord is.

Waarom moesten ze hiernaartoe verhuizen? Wat was er mis met hun appartement in de binnenstad? ‘We bouwen niks op hier,’ had Sasha gezegd. ‘We kunnen ons geld net zo goed de gracht in laten waaien.’

Een plek om te wonen was niet genoeg. Ze wilde kopen, wilde bezitten.

‘Wat wil jij dan?’ had ze gevraagd. ‘De rest van je leven hier blijven wonen? Ieder weekend naar de kroeg, twee keer per jaar op vakantie?’

Over iets abstracts als de rest van zijn leven had hij nooit zo concreet nagedacht. De kroeg, vakantie, het klonk niet slecht, maar hij begreep dat zij iets anders wilde horen.

Toen ze had wat ze had willen hebben, wilde ze datgene veranderen. Muren uitbreken, een terras aanleggen, een gazon waarvoor de planten en bomen moesten wijken.

‘Het is zo mooi groen,’ had hij gezegd.

‘Gras is ook groen. En je kan er tenminste iets mee, er kunnen kinderen op spelen.’

Ze bracht het terloops, hij zocht er niets achter. Pas toen ze over tijd bleek dacht hij er weer aan. ’s Avonds in de badkamer controleerde hij de strip met haar pillen. Misschien was ze vergeten ze in te nemen, of misschien juist wel niet, en was ze expres gestopt. Ze had tenslotte haar huis, haar gazon waar kinderen op konden spelen. Er kon iets worden opgebouwd.

Het geluid van de garagedeur. Opnieuw ziet hij haar buiten voorbij slenteren, dit keer sleept ze een voorhamer achter zich aan.

Bij de molshoop blijft ze staan. Hij ziet hoe ze de voorhamer optilt, niet hoger komt dan haar schouders, het ding weer laat zakken. Even blijft ze op de steel staan leunen, veegt dan de haren uit haar gezicht en doet een tweede poging. Met een zwaai gaat het ding de lucht in. Ze controleert het zwaartepunt boven haar hoofd, houdt haar blik op de mol gericht.

Hij dacht niet dat ze het in zich zou hebben. Maar nu hij haar zo ziet staan, de beul in haar pyjama, snelt hij naar buiten en roept of ze wel helemaal lekker is.

Meteen laat ze de voorhamer vallen. In het voorbijgaan kijkt ze hem aan, een vlies van tranen voor haar ogen. Even voelt hij de behoefte zijn arm om haar heen te slaan, maar een blik op de creperende mol doet dat gevoel direct verdwijnen.

Hij graaft een kuil, schept de mol erin, en op dat moment schiet het beeld uit zijn droom hem te binnen. De zwarte vacht op zijn gezicht.

Hij bedekt het dier met een laagje aarde zodat hij niet hoeft te zien wat hij gaat aanrichten. Met twee handen omklemt hij de steel van de schep, de ijzeren rand als een valbijl boven de kuil.

Boven de horizon stijgt een bleek maantje op. Achter hem zakt de zon achter de schoorsteen van de bungalow. In de badkamer brandt licht. Uit de kier van het raampje ontsnapt stoom, hij hoort water op de tegels kletteren. Aan de voorzijde van het huis is een kamer die ze nog niet gebruiken. De muren zijn er kaal, hij moet ze behangen. Negen maanden zijn zo voorbij.