Column

Zo’n streng bestuurder – en dan zelf fraudeur?

Het Financieele Dagblad bracht woensdag een bijzonder gesprek met oud-staatssecretaris Robin Linschoten (Sociale Zaken, VVD). „Ik kan mijn vaste lasten niet betalen en heb zelfs geen ziektekostenverzekering meer”, zei Linschoten (60), die in 1982 als 26-jarige Kamerlid werd. „Ik heb niets meer.”

Hij blijkt in september te moeten voorkomen: Linschoten zou 100.000 euro omzetbelasting hebben ontdoken.

Uitgerekend hij was als VVD-politicus (1982-1996) vurig bestrijder van uitkerings- en belastingfraude. Hij hoorde tot een generatie die op dit gebied geen pardon kende. Al sinds Wiegel agendeerde zijn partij uitkeringsfraude. De PvdA stribbelde tegen, maar sinds Wim Kok vanaf 1994 regeerde met de VVD, bleef geen middel onbeproefd: de zweep erover.

En dus verdedigde staatssecretaris Linschoten – ik heb het even nagezocht – op 22 november 1995 wetswijzigingen die ervoor zorgden dat uitkeringsfraude véél strenger werd aangepakt. Fraudeurs moesten onterecht verkregen voordeel terugbetalen en kregen daar bovenop een fikse boete. „Fraude mag nooit lonen”, zei Linschoten.

Zijn toenmalige partijgenoot Jos van Rey, vorig jaar veroordeeld voor onder meer corruptie, redeneerde hetzelfde. Ik las terug dat hij 1 november 1996 in de Kamer klaagde dat na „grote fraudezaken” de boete vaak „minimaal” was. „De grote heren [sic] met veel kapitaal komen er altijd goed van af en de eenvoudige burger is de dupe!”

Alsof hij over zichzelf sprak: Van Rey, een hoge heer die in 2013 bij WNL klaagde dat het OM hem had „geïntimideerd en kapotgemaakt”, kwam er vorig jaar, ondanks bewezen geachte corruptie, af met een taakstraf.

Wat zal er in de hoofden van deze mannen zijn gebeurd? Hun vroegere onverbiddelijkheid zei vermoedelijk vooral iets over hun eigen angsten. Zoals conservatieve dominees in de VS steeds worden betrapt op hoerenbezoek of homoseksualiteit. Dus politici die nu zeer streng willen zijn, op welk terrein ook, moeten misschien even stilstaan bij de herziene inzichten van hun gestrenge voorgangers.

In dat Kamerdebat uit 1995 kreeg Linschoten voorgelegd: is het echt nodig iemand op zijn uitkering te korten die is ontslagen voor het stelen van 25 gulden? Zeker, zei hij. Alleen het principe telde. „De hoogte van het bedrag is niet relevant.”

Het blijkt anders nu hij zelf van fraude voor een ton wordt verdacht. Alles ontstond omdat zijn boekhouder te weinig btw afdroeg, vertelde hij het FD: „Mijn enige fout is dat ik mijn boekhouder onvoldoende heb gecontroleerd.” Nu het om hemzelf gaat, is het principe niet meer het enige dat telt.

Tom-Jan Meeus (t.meeus@nrc.nl; @tomjanmeeus) schrijft op deze plek een wisselcolumn met Jutta Chorus.