Over kunstgras en wat het voetbal kan leren van het tennis

Kunstgras

Het aantal kunstgrasbanen groeide sinds 2004 rap. Nu beseft het Nederlandse tennis: kunstgras is niet de toekomst. Clubs gaan weer terug naar gravel.

Een tenniswedstrijd op gravel bij het futuretoernooi in Alkmaar (derde profniveau), afgelopen juni. Foto Olaf Kraak

Hij gaf een keer een clinic op een kunstgrasbaan. „Niet ideaal”, zegt tennisser Thiemo de Bakker, voormalig nummer veertig van de wereld. Hij vindt de baansoort „riskanter” dan andere ondergronden. „Op een kunstgrasbaan beweeg je veel moeilijker. Je glijdt door, je kan niet remmen. Ik zal er nooit een training op doen.”

Voormalig topspeler en oud-bondsvoorzitter Rolf Thung tenniste een aantal keer op kunstgras. „Ik doe dat niet voor mijn plezier. Het is gevaarlijk. Soms glij je door, soms niet, bij plekken zonder zand.” Hij geldt als een van de grootste criticasters van de ondergrond en kwam ertegen in verzet in de ruim zes jaar dat hij in het bondsbestuur zat. „Als je het hebt over een langetermijngevaar voor het tennis, is dit het.”

Een gravelland

Net als het voetbal heeft ook het tennis een kunstgrasprobleem. Al verschilt de discussie inhoudelijk: in het tennis wordt er alleen op lager niveau op kunstgras gespeeld en niet bij de profs – zoals in het voetbal.

Nederland is van oudsher een gravelland. Vanaf 2004 is die positie onder druk komen te staan door de explosieve toename van rode zand-kunstgrasbanen, bekend onder de merknaam smashcourt. De baansoort wordt opgevuld met fijn keramisch rood zand en heeft zo de looks van een gravelbaan. Maar de speeleigenschappen verschillen, vinden de kenners. Thung: „Het spel wordt volstrekt anders.”

De ondergrond heeft in ruim tien jaar tijd een marktaandeel van 21 procent veroverd. En dat is grotendeels ten koste gegaan van het traditionele gravel, dat van 67 procent in 2004 zakte naar 43 procent vorig jaar. Zo is kunstgras uitgegroeid tot de meest voorkomende baansoort: het rode type en het al langer bestaande kunstgras met wit zand zijn samen goed voor 54 procent.

Nederland is daarmee internationaal een buitenbeentje. In Duitsland (1 procent) en België (8 procent) ligt het aandeel aanmerkelijk lager.

De kunstgrasindustrie kreeg in Nederland, in navolging van het hockey en voetbal, ook voet aan de grond in het tennis. De voordelen, waarmee producenten de baansoort in de markt hebben gezet: minder onderhoud, bijna het hele jaar door spelen en lagere kosten.

Het interessante is: de tennisbond heeft ruim vijf jaar geleden ingegrepen. Clubs wordt nu eerder geadviseerd voor gravel te kiezen, waar tennisbond KNLTB „voorheen stilzwijgend kunstgrasbanen promootte”, zegt Thung, die eind 2010 aantrad als voorzitter. De argumenten voor kunstgras klopten niet of waren onvolledig, zegt hij. „Men heeft de oren laten hangen naar de industrie.”

De aanschaf en exploitatie van kunstgrasbanen zou voordeliger zijn, vergeleken met gravel. Maar uit het brancherapport Tennis in Nederland van het Mulier Instituut blijkt dit niet. De aanlegkosten van een gravelbaan zijn lager (vanaf 27.000 euro) dan die van een rode kunstgrasbaan (vanaf 37.000 euro). Gravelbanen gaan langer mee en de vervangingskosten zijn minder hoog. „Over een periode van dertig jaar ben je goedkoper uit met een gravelbaan”, zegt Leon van Leeuwen, coördinator accommodatieadvies bij de tennisbond.

De bond ziet de vele kunstgrasbanen als een reden waarom er nu minder spelers doorbreken, al valt dat moeilijk te bewijzen. Gravel en hardcourt zijn internationaal de standaard. Op kunstgras blijft de bal lager en schiet hij door. Rally’s zijn korter. „Op gravel is meer creativiteit nodig om het punt te winnen”, zegt Van Leeuwen.

„Talenten worden op kunstgras beperkt in de ontwikkeling van hun slagenarsenaal”, zegt Henk Schut, manager verenigingszaken bij de KNLTB. Zware topspinballen – soms dodelijk effectief op gravel, zie het sloopwerk van Rafael Nadal – hebben minder impact op kunstgras. „Op kunstgras wordt de rotatie geneutraliseerd”, zegt Van Leeuwen.

Campagne voor gravel

Het is de voornaamste reden dat de bond nu campagne voert voor gravel: men is bang dat talenten in de dop verloren gaan door te spelen op kunstgras. Er wordt vaak naar Noord-Brabant gewezen, waar de opkomst van de kunstgrasbanen begon in de jaren tachtig. „Dat heeft zich als een olievlek verspreid”, zegt Van Leeuwen. In het centrale (74 procent kunstgras) en oostelijke deel (67 procent) van de provincie is het aanbod gravelbanen zeer beperkt.

Voorheen was Brabant een provincie die veel talent afleverde. Maar die tijd is voorbij, zegt Schut. Het vermoeden bestaat dat dit deels te maken heeft met het gebrek aan gravelbanen. Schut: „Het is in Brabant een probleem om talent opgeleid te krijgen op gravel.”

De koerswijziging heeft effect, de vrije val van het aantal gravelbanen is voorzichtig gestopt. Steeds meer clubs kiezen bij aanleg van een nieuwe baan weer voor gravel, stelt de bond: 43 procent vorig jaar, tegenover 20 procent vijf jaar geleden.

Tennisclub IJburg in Amsterdam bestaat sinds vijf jaar en kreeg in die tijd van de bond het advies smashcourt aan te laten leggen, vertelt voorzitter Jeroen Koeleman. Dat kwam er: tien banen. „Nu roepen ze dat we te veel kunstgrasbanen hebben en terug moeten naar gravel.”

Er is onderzocht of het mogelijk was vier banen om te bouwen naar gravel. Kosten: 60.000 euro. Het ging niet door. „De gemeente wil het niet betalen. We verwijten de bond dat ze eerst A zeggen en daarna B.”

Tennisclub Dijkzicht uit Volendam vervangt stap voor stap de tien rode kunstgrasbanen voor gravel. „We gaan terug naar vroeger”, zegt voorzitter Kees de Boer. „Spelers willen liever op echt gravel tennissen.”

De kosten van de operatie bedragen een kleine 400.000 euro, schat hij. De voorzitter merkte dat goede spelers wegbleven bij toernooien vanwege het smashcourt. Nu ziet hij dat ze weer komen, zoals bij het Palingtoernooi deze week.

Ook prof Cindy Burger, lid bij de club, komt weer. „Zij wilde niet op kunstgras trainen. Nu we weer gravel hebben, zien we haar veel vaker.”