NRC checkt: ‘Kwart flexwerkers in 2012 had 3 jaar later vaste baan’

Dat schreef SP-voorzitter Ron Meyer in juni in het partijblad De Tribune.

SP-voorzitter Ron Meyer. Foto Sander Koning

De aanleiding

Een kwart van de mensen die in 2012 begonnen met een flexibele baan, had drie jaar later een vast contract. De helft is werkloos. Eén op de drie Nederlanders heeft een wegwerpcontract. Dat schreef SP-voorzitter, Ron Meyer afgelopen juni in het partijblad De Tribune.

Het zijn schokkende cijfers, vindt Meyer. Ze zijn volgens hem het resultaat van de individualisering, globalisering en flexibilisering van arbeid, die „al dertig jaar lang verkocht worden als vooruitgang en vrijheid, terwijl in werkelijkheid ondernemingsrisico’s verschoven zijn van multinationals naar mensen”.

We checken Meyers bewering dat ‘slechts’ een kwart van de mensen die in 2012 met een flexibele baan op de arbeidsmarkt kwamen, drie jaar later een vast contract had.

Waar is het op gebaseerd?

In de nog steeds lopende formatieonderhandelingen spelen arbeidsmarktverhoudingen, waaronder flexwerk versus vast werk, een belangrijke rol. Met zijn column in De Tribune wil Meyer daar, vanaf de politieke zijlijn, een steentje aan bijdragen.

Meyer baseert zijn stelling op berichtgeving in de media, eind mei, onder meer in Trouw, NRC en de site van de NOS. Die baseerden zich op hun beurt op eind mei gepubliceerd, representatief onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) onder 686.000 mensen die in 2012 met een flexcontract aan de slag gingen.

En, klopt het?

De weergave van de conclusies van dat CBS-onderzoek in de media verschilden nogal. De kans voor flexwerkers om in vaste dienst te komen, is voor het eerst sinds jaren gegroeid, oordeelde de redactie van NOS. Maar slechts een kwart van de flexwerkers stroomt binnen drie jaar door naar een vaste baan. Trouw kopte: „Steeds minder flexwerkers stromen door naar een vaste baan”. En het CBS oordeelde zelf, als kop boven een persbericht: „Hoogopgeleide flexwerker stroomt vaker door naar vast”.

Van alle flexwerkers die vanaf 2007 naar een vaste baan doorstroomden, bleek 35 procent binnen drie jaar zo’n baan te hebben. De ‘lichting 2011’ scoorde 26 procent op dat punt, een scherpe daling ten opzichte van 2007, terwijl de ‘lichting 2012’ geen beter beeld laat zien. In de loop van 2014 is het aantal tijdelijke werknemers met uitzicht op vast werk wel weer gaan toenemen, concludeert het CBS.

Dat de CBS-cijfers zo gevarieerd worden uitgelegd, is niet zo raar. De discussie over de Nederlandse arbeidsmarktverhoudingen, ‘flex minder flex, vast minder vast’, is al jaren een gepolariseerd debat. Het zittende kabinet wilde met de Wet werk en zekerheid juist bereiken dat het aantal vaste banen toeneemt. De CBS-cijfers geven geen eenduidig antwoord op de vraag of dat lukt. Maar het CBS-onderzoek biedt qua uitkomsten wel voor ‘elk wat wils’.

Wie bijvoorbeeld wil vaststellen dat hoogopgeleide flexwerkers meer kans maken op een vaste baan dan laagopgeleiden, komt aan zijn trekken: van de eerste groep had in 2012 36 procent in drie jaar een vaste baan, van de tweede was dat 17 procent. Goed nieuws voor hogeropgeleiden dus? Niet echt, want in 2007 lukte het nog bijna de helft van de hoogopgeleiden om na drie jaar een vaste baan te krijgen.

Conclusie

Flexwerkers komen moeilijk aan een vaste aanstelling, is de rode draad van het CBS-onderzoek. Van de onderzochte groep van 686.000 werknemers die in 2012 aan de slag gingen, had 26 procent drie jaar later een vaste baan, nagenoeg evenveel als bij de ‘lichting 2011’. Deze trend zal naar verwachting van het CBS stabiliseren en groeien. De vrije val in vergelijking met de lichting 2007 lijkt in ieder geval gestopt. We beoordelen de stelling van SP-leider Ron Meyer dat „slechts een kwart van de mensen die in 2012 op de arbeidsmarkt kwamen met een flexibele baan, drie jaar later een vast contract had” als waar.

Ook een bewering zien langskomen die je gecheckt wilt zien? Mail nrccheckt@nrc.nl of tip via Twitter met de hashtag #nrccheckt.