Cultuur

Interview

Interview

De deelnemers aan de pilotweek van de Cyberwerkplaats zitten tegenover elkaar in een kantoorpand in Rotterdam.

Foto Robin Utrecht

‘Ik wil de wereld een stukje veiliger maken’

Cyberwerkplaats

In Rotterdam begon deze week de Cyberwerkplaats. Hier worden jongeren op weg geholpen bij een carrière als ethisch hacker of programmeur.

Danique Spruit – vijftien jaar, klein van stuk en gestoken in een zwarte, ruim zittende sweater – was pas tien toen ze wist in te breken in de website die haar school gebruikte voor rekenopdrachten. Zo wist ze haar cijfer op te krikken. Ze leerde hacken door erover te lezen en filmpjes te bekijken. Later hackte ze accounts op Facebook en Instagram, simpelweg omdat ze dat kon. „Niet om mensen kwaad te doen, hoor. Dat zit niet in me.”

Danique wil na haar opleiding aan het grafisch lyceum „bijdragen aan een betere beveiliging van software”. Niet voor niets is ze een van de negen jongeren die meedoen aan de pilotweek van de Cyberwerkplaats – een initiatief dat talent van vijftien tot dertig jaar kosteloos wil opleiden tot cyberveiligheidsspecialist.

„We willen digitale hangjongeren een toekomst bieden”, zegt initiatiefnemer Astrid Oosenbrug, voormalig PvdA-Tweede Kamerlid en expert op het gebied van IT. Er zijn al wel mbo-, hbo- en wo-studies die opleiden tot cyberspecialist, maar volgens Oosenbrug komen sommige jongeren daar nooit terecht omdat ze hun school niet afmaken. Het zijn de jongeren die het liefst de hele dag op hun zolderkamertje achter de computer zitten, licht ze toe. De jongeren die helemaal geen zin hebben om feiten over de Tachtigjarige Oorlog te stampen of Franse woordjes te leren.

„Deze jongeren spreken een hele andere taal: programmeertaal”, zegt Oosenbrug. Het klassieke schoolsysteem – met keuzeprofielen en een vastomlijnd studieprogramma – past daarom niet altijd even goed bij hen, waardoor een reguliere beroepsopleiding vaak niet haalbaar is. „Zij verlaten in veel gevallen vroegtijdig hun middelbare school, soms omdat ze regelmatig het netwerk van hun school platlegden”, vertelt mede-initiatiefnemer Mary-Jo de Leeuw, cyberexpert en bedenker van de werkplaats. „Of ze halen met veel pijn en moeite hun middelbareschooldiploma, maar eindigen daarna alsnog met een uitkering.”

Tweehonderd aanmeldingen

Volgens de Leeuw gaat het om jongeren die heus wel willen leren, maar vaak op maat gesneden onderwijs nodig hebben. Zonder intrinsieke motivatie bij het reguliere schoolwerk, haken zij snel af. Ook hebben deze jongeren over het algemeen baat bij extra begeleiding en veel structuur. „Autisme speelt bijvoorbeeld geregeld een rol”, zegt De Leeuw. De Cyberwerkplaats wil voorkomen dat deze jongeren als hacker het criminele pad op gaan.

Voor de pilotweek meldden zich ruim tweehonderd jongeren aan. Uit deze groep werden negen leerlingen geselecteerd die les krijgen van verschillende deskundigen. Over privacyrecht, maar ook over ‘ethisch’ hacken (inbreken in computersystemen om organisaties te helpen zichzelf beter te beschermen). En ze volgen een speciale ‘cybersecuritystage’, bijvoorbeeld bij het Havenbedrijf Rotterdam. De Cyberwerkplaats ontvangt geen subsidie, maar krijgt wel geld van het bedrijfsleven.

„Ik zie dat jullie dorst hebben”, zegt Mary-Jo de Leeuw. Ze deelt flesjes water uit aan haar leerlingen – drie meisjes, zes jongens. Ze zitten tegenover elkaar aan een lange tafel in een modern kantoorpand in het centrum van Rotterdam en turen geconcentreerd naar hun scherm. Tijdens deze pilotweek nemen de leerlingen het tegen elkaar op in een hack challenge: een soort digitale puzzel waarin ze moeten inbreken in de systemen van fictieve organisaties. De winnaar krijgt een bouwpakket om zelf een computer in elkaar te zetten.

„Het is gezellig en iedereen is gemotiveerd,” zegt deelnemer Christopher Idornigie (18). „Ik wil zelf graag leren hacken en leren hoe een bedrijf zich tegen een cyberaanval kan beschermen, maar op mijn opleiding leer ik daar heel weinig over.” Misschien krijgt Idornigie uiteindelijk wel een baan aangeboden, want bedrijven en overheden hebben volgens de Cyberwerkplaats de grootste moeite specialisten aan te trekken die cyberaanvallen kunnen voorkomen en oplossen.

Dat beaamt Jan Martijn Broekhof, directeur van Guardian360, een Rotterdams bedrijf dat organisaties helpt met de beveiliging van hun informatiesystemen. „Het is heel hard zoeken naar talent”, zegt hij. „En wat ook meespeelt is dat sommige specialisten helemaal niet voor een baas willen werken. Het zijn een soort artiesten.” Broekhof hoopt dat het met de Cyberwerkplaats gemakkelijker wordt dat talent binnen te halen.

De deelnemers aan de pilotweek zijn heel verschillend, maar onzekerheid is volgens Astrid Oosenbrug een belangrijke verbindende factor. „Op school horen ze voortdurend dat ze weinig kunnen, hier merken ze dat ze juist wél een groot talent hebben.” De jongeren beschikken volgens haar over een sterk analytisch denkvermogen en zijn goed in programmeren.

Gisteren vond ik nog een lek op de site van de Universiteit Twente. In twee minuten

Baan bij Google

De Cyberwerkplaats is geïnspireerd op het Franse École 42, waar studenten uit alle sociale milieus leren programmeren en hacken. Oud-leerlingen kregen bijvoorbeeld een baan bij Google. Na de pilotweek van de Cyberwerkplaats wordt de kelder van een voormalig bankgebouw in Rotterdam waarschijnlijk verbouwd tot ‘werkplaats’ – er is al een investeerder. Uiteindelijk wil de Cyberwerkplaats een onderwijsaccreditatie krijgen en een officiële onderwijsinstelling worden. Mogelijk breidt het initiatief zelfs uit naar Amsterdam, Utrecht en Leeuwarden. Die hebben volgens De Leeuw al interesse.

En wat is dan de ultieme droom? Een carrière zoals die van Mischa van Geelen (18), die de hack challenge in elkaar zette. Al op zijn dertiende brak hij in bij een computersysteem van ABN Amro, waarna hij er een baan kreeg aangeboden. Inmiddels heeft hij als ethisch hacker 250 bedrijven ‘gekraakt’, waaronder Google en Microsoft. „Ik wil de wereld een stukje veiliger maken.” En met een brede glimlach: „Gisteren vond ik nog een lek op de site van de Universiteit Twente. In twee minuten.”