Recensie

Fausts Bach is authentiek én modern

Klassiek Isabelle Faust mikte in Bachs vioolconcerten op een kamermuzikale intimiteit: rank, energiek en uitgepuurd waar nodig. Met soms een expressief rafelrandje.

Foto Felix Broede

De Duitse topvioliste Isabelle Faust heeft een uitstekende Bach in de vingers, getuige haar wereldwijd bejubelde en meermaals bekroonde opnames van diens vioolsonates en -partita’s. Bij de Robeco SummerNights in het Concertgebouw stond dinsdagavond andermaal Bach op het programma. Met de Akademie für Alte Musik Berlin (Akamus) zette Faust zich aan de trits vioolconcerten die de barokke meester tussen 1729 en 1741 schreef voor zijn Collegium Musicum in Leipzig.

Fausts Bach-interpretaties kenmerken zich door een eigenzinnige mengelmoes van authentieke en moderne spelopvattingen. Historisch geïnformeerd: haar keuze voor darmsnaren omwille van een betere klankbalans met de op oude instrumenten spelende Akamus-leden.

In het Allegro van het E-groot-concerto (BWV 1042) mengde haar lichte, maar energieke toon feilloos met de overige strijkers. Met een kamermuzikale intimiteit soleerde Faust als iemand die het hoogste woord voert in een hecht groepsgesprek, om in het Adagio kraakhelder en vibratoloos een waaier aan piano-nuances uit haar baroksnaren te toveren.

In het Andante van het a-klein-concerto (BWV 1041) contrasteerden haar serene, uitgepuurde fluistertonen prachtig met de potig neergezette bassen in de tutti-passages.

Ondanks Fausts barok-raffinement schemerde in haar spel ook haar affiniteit met romantisch repertoire door. Met name in de snelle slotdelen die uitblonken in plotseling opvlammende uithalen en expressieve rafelrandjes. Jammer dat het Dubbelconcert in d-klein (BWV 1043) minder overtuigde door de niet vlekkeloos verlopende een-tweetjes met solerend muzikaal leider Bernhard Forck.

Bachs orkestsuites verraden met hun statige ouvertures en elegante dansen een duidelijke Franse invloed, maar hebben bij vlagen ook veel weg van het indertijd modieuze Italiaanse soloconcert. De Tweede suite, gisteren in een vroege versie voor orkest en viool, is illustratief. In zowel de ‘Double’ als de afsluitende ‘Badinerie’ legde Faust een verbluffende virtuoze wendbaarheid aan de dag.