Column

Einde van een komisch duo

Dean Martin en Jerry Lewis zaten in de auto. Ze hadden besloten samen op te treden en overlegden over de volgorde van hun namen op het affiche. „Laten we er geen ruzie over maken”, zei Martin, „we noemen ons Martin en Lewis omdat dat alfabetisch juist is.” „Alfabetisch juist?” zei Lewis, „sinds wanneer komt verdomme de M voor de L?” Martin: „De D komt voor de J.”

Achteraf bezien is deze anekdote typerend voor de manier waarop hun artistieke samenwerking, inderdaad onder de naam Martin en Lewis, verliep. Ze werden beroemd met een act – in nachtclubs, op tv en in films – waarin ze elkaar goed aanvulden. Martin was de nuchtere tegenpool van de uitzinnige Lewis, Martin ‘croonde’ zijn zwierige liedjes, Lewis hing de clown uit. Het bleek vanaf het begin een gouden formule, het publiek kon er geen genoeg van krijgen en de komieken kregen de vetste contracten aangeboden.

Zo’n bizar duo was nog niet in het Amerikaanse entertainment vertoond. „Je had nooit eerder een knappe man en een aap”, analyseerde Lewis later. „Seks en slapstick, dat waren we.”

In de jaren vijftig en zestig kregen wij hen af en toe ook op de Nederlandse televisie te zien. Ik heb er nog maar vage herinneringen aan, maar ik weet wel dat ik er met plezier naar keek. Het was weer eens iets anders dan de Wama’s en Johnny en Rijk, duo’s die overigens ook uit elkaar gingen, net als, veel later, Bram en Freek. Het hoort nogal bij artistieke duo’s: hoe groot ook het succes, er komt een moment waarop de ego’s het niet meer met elkaar uithouden.

Wanneer begon het bij Dean Martin en Jerry Lewis? Ik zocht het op in Dino: Living High in the Dirty Business of Dreams, de biografie die Nick Tosches in 1992 over Martin publiceerde. Tosches mocht beide artiesten en hun partners en vrienden uitvoerig aan de tand voelen. Het is een onthullend boek over ‘het vak’, hun ervaringen met film- en platenbonzen, filmsterren, vrouwen, drank, veel drank, én hun contacten met de maffia die te vriend moest worden gehouden.

Martin en Lewis hadden karakterologisch weinig gemeen. Martin was niet in de wereld geïnteresseerd, hij was een laconieke man, op het onverschillige af, Lewis was gevoeliger en onberekenbaar. Martin vond dat zijn collega zich te belangrijk begon te maken, iets wat hij zich volgens Lewis liet aanpraten door slijmerige vrienden. Bij de voorbereiding van de film Three Ring Circus merkte Martin dat Lewis zelf de belangrijkste medewerkers, inclusief de regisseur, had aangetrokken en dat er voor hem maar een bijrol was weggelegd.

De ruzie lekte uit; Lewis vergeleek de groeiende verwijdering later met een echtscheiding. Hij zocht Martin na de opnamen in een sentimentele bui op. Hij zei dat er tussen hen iets speciaals was dat hen als duo zo goed maakte.

„Ja? Wat is dat dan?” vroeg Martin. „Ik denk dat het liefde is”, zei Lewis, „wij voelen dat nog steeds voor elkaar.”

Martin keek hem onbewogen aan en zei (ik neem zijn plastische Amerikaans maar even over): „You can talk about love all you want. To me, you’re nothing but a fucking dollar sign.

Daarna is het begrijpelijkerwijs niet meer goed gekomen, behalve toen ze oud en weemoedig waren geworden en tot een soort verzoening besloten.