Een creditcard mag niet zomaar worden opgestuurd

Deze rubriek belicht elke woensdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Deze week: een creditcard met de post en contracten.

Foto iStock

Zeg maar eens ‘nee, bedankt’ als je in geldnood zit en een callcenter belt of je een creditcard van ICS wilt. Zo ook de werkloze Amsterdammer die met zijn gezin moest rondkomen van één uitkering. De rentekosten zouden niet meer dan 1 of 2 procent zijn, begreep hij telefonisch. De man verzon een inkomen en de hoogte van zijn huur en bevestigde dat schriftelijk. Daarna ontving hij de kredietovereenkomst, met op de voorzijde een Mastercard met een limiet van 2.500 euro vastgeplakt – en de algemene voorwaarden aan de achterkant.

Waarna het misging. De man gaf 2.948 euro uit, waarop hij 200 euro wist af te lossen. Aan de betalingsregeling kon hij niet voldoen, waarna ICS het bedrag in één keer opeiste met een ‘vertragingsrente’ van 14 procent. De man betoogt bij de rechter dat ICS hem om bewijs van zijn inkomen had moeten vragen en over de hoge rente had moeten informeren. Hij wil 50 euro per maand afbetalen – ICS heeft net zo veel schuld als hij, meent hij.

De kantonrechter maakt met de aanvraagprocedure van ICS korte metten. De consument moet van tevoren duidelijk worden ingelicht over het totale kredietbedrag, de risico’s van wanbetaling en het eventuele gespreid betalen. Meteen een creditcard, geplakt op een brief, opsturen met informatie op de achterkant, deugt niet. Ook de kredietwaardigheidstoets is niet realistisch. Die mag je niet alleen baseren op mededelingen van de aspirant-klant. ICS moet bewijzen kunnen tonen – en dat kon het bedrijf niet. De kredietovereenkomst is dus niet geldig tot stand gekomen. De schuldenaar mag de 2.507,88 euro die openstaat in termijnen van 50 euro aflossen. ICS mag niet de rente incasseren. En moet al z’n procedures aanpassen.

www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBAMS:2017:5384