Opinie

Moslims zijn bondgenoten in de strijd tegen jihadisme

Het werk van een salafistische imam uit Den Haag ‘verstoren’ heeft geen enkele juridische grondslag en helpt niet in de strijd tegen terrorisme, schrijft „We moeten de uitgestoken hand aannemen.”

Een bordje met de tekst „Niet in mijn naam!” in het Catalaans wordt omhoog gehouden tijdens een herdenking in Ripoll. Foto: Francisco Seco/AP

De wereld werd vorige week opnieuw opgeschrikt door enkele bloedige aanslagen die werden opgeëist door IS. Hoewel veel rond de aanslagen in Catalonië nog onduidelijk is, lijkt de imam uit Ripoll daarin een leidende rol te hebben gespeeld. De beslissing van minister Stef Blok (VVD) om imam Fawaz Jneid een half jaar de toegang tot de Schilderswijk en Transvaal te ontzeggen, is daarom op het eerst gezicht verstandig. Volgens de woordvoerder van de minister is de imam een gevaar voor de nationale veiligheid omdat hij een intolerante boodschap verkondigt. Door die intolerante boodschap draagt hij bij „aan het radicaliseringsproces in de richting van jihadisme”, in een wijk waar radicalisering al een probleem is.

Wat vooral steekt is dat Fawaz Jneid een salafistische imam is. Salafisten willen de islam nieuw leven inblazen door terug te keren naar de zuivere leer ten tijde van de Profeet. Volgens het kabinet zetten salafisten aan tot haat, onverdraagzaamheid en afzondering en proberen zij de vrijheid van anderen in te perken. Daarom heeft het kabinet besloten om de activiteiten van salafisten te gaan ‘verstoren’. Regels worden op hen strenger toegepast dan op anderen en instrumenten die daarvoor niet bedoeld zijn, worden ingezet om hen dwars te zitten. Het gebiedsverbod is een goed voorbeeld van die strategie: de imam spreekt zich inderdaad regelmatig negatief uit over lhbt en feminisme, maar dat is nog geen reden om hem een verbod op te leggen dat bedoeld is om terrorisme tegen te gaan. De pogingen van burgemeester Pauline Krikke om de imam te beletten zijn boekhandel als gebedshuis te gebruiken met behulp van de erfpachtvoorwaarden passen ook in deze strategie.

Onze Grondwet biedt geen enkele grondslag voor zo’n ‘verstoringsbeleid’

Staatssecretaris Sander Dekker (VVD) was de eerste die deze ‘verstoringstrategie’ toepaste toen hij weigerde om een islamitische middelbare school in Amsterdam te bekostigen. Hij had er geen vertrouwen in dat op de school goed burgerschapsonderwijs zou worden gegeven. De Raad van State heeft deze weigering onlangs vernietigd. Een andere tactiek is het verplicht stellen van een tewerkstellingsvergunning voor moskeeën die buitenlandse imams uitnodigen voor een gastlezing. Dit instrument, dat bedoeld is om verdringing op de arbeidsmarkt door buitenlandse werknemers te voorkomen, wordt zo een middel om voorgangers met onwelgevallige opvattingen buiten de deur te houden.

De verstoringsstrategie kan om een aantal redenen juridisch niet door de beugel. Ze vormt een vergaande inbreuk op de vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst van Fawaz Jneid. Het gebiedsverbod maakt het de imam onmogelijk om bijeenkomsten met de leden van zijn geloofsgemeenschap te hebben, terwijl Nederland aan de andere kant wel vindt dat China dit soort illegale ‘huiskerken’ moet gedogen. Het gebruik van regels en voorschriften die daarvoor niet zijn bedoeld om de salafisten dwars te zitten is onrechtmatig. Bovendien biedt onze Grondwet geen enkele grondslag voor zo’n verstoringsbeleid. Als men al moeite heeft met de uitspraken van de imam omdat ze onverdraagzaam en haatdragend zijn, zou een vervolging door het OM het aangewezen middel zijn. Als de overheid van de burgers van dit land verwacht dat ze de kernwaarden van de democratische rechtsstaat onderschrijven, moet zij zelf natuurlijk wel het goede voorbeeld geven.

Een man bidt in een moskee in Ripoll. Foto: Francisco Seco/AP

Maar de verstoringstrategie is vooral bedenkelijk omdat daarmee een groep moslims ten onrechte als verdachte gemeenschap wordt weggezet. Het is waar dat de salafisten streven naar de vorming van een islamitische samenleving. Maar zij proberen dit doel te bereiken met vreedzame democratische middelen. Daarin verschillen zij van jihadisten, die een islamitische staat willen vestigen met geweld.

De opvattingen van de salafisten wijken ongetwijfeld af van die van de meerderheid, maar dat geldt bijvoorbeeld ook voor die van Jehova’s getuigen, mormonen en zevendedagadventisten. Wat telt is dat salafisten geweld en terrorisme veroordelen, zoals Fawaz Jneid dat enkele malen publiekelijk deed.

De daders van de aanslagen in Catalonië waren geen devote moslims. De imam van Ripoll was zelfs veroordeeld wegens drugshandel. Terroristen van IS zijn vaak jonge criminelen die de islam gebruiken als een excuus om hun gewelddaden te rechtvaardigen. Het geloof is een verpakking en geen inspiratiebron. Om de strijd tegen het terrorisme effectief te kunnen voeren is het belangrijk dat moslims niet als de ander worden neergezet, maar juist als bondgenoten worden erkend. Familieleden van de terreurverdachten hielden in Ripoll borden met de tekst „niet in mijn naam” omhoog. Dat is een uitgestoken hand die we zeker moeten aannemen.