Column

De onschuld van Demmink

Joris Demmink, voormalig secretaris-generaal van het ministerie van Justitie, is onschuldig gebleken. Veertien jaar lang werd hij ten onrechte beschuldigd van seksueel misbruik van twee Turkse jongens. Vorige week stelde het gerechtshof van Arnhem vast dat hij die verkrachting niet kan hebben gepleegd.

Zijn advocaat liet weten dat Demmink verheugd is over de uitspraak, maar dat hij het betreurt dat alle aantijgingen de afgelopen jaren zijn leven hebben bepaald. Dat lijkt me nog gematigd uitgedrukt. Hij had ook kunnen vaststellen dat hij het slachtoffer is geweest van een zeldzaam wrede karaktermoord. Er is werkelijk alles uit de kast gehaald om hem kapot te krijgen.

Uiteindelijk blijken al die beschuldigingen één grote zeepbel te vormen, die door onderzoeksofficieren van het Openbaar Ministerie na een drie jaren durend onderzoek kon worden doorgeprikt. Er is geen enkel bewijs dat Demmink in de periode van de verkrachting in Turkije is geweest, hij heeft juist een sluitend alibi dat hij er níét is geweest.

„Sterker, alles wijst erop dat de aanklacht vals is”, schrijft de Volkskrant, „dat een belastend document is gefalsificeerd, dat de afzender ervan niet bestaat en dat alle geruchten zijn verzonnen.”

Het komt erop neer dat Demmink doelwit is geweest van een hysterische hetze, aangeblazen door een tot levenslang veroordeelde Turkse drugscrimineel die zijn veroordeling ongedaan probeerde te maken, en door een Nederlandse zakenman die zich benadeeld voelde door de rechterlijke macht. Hun beschuldigingen werden verspreid door verbeten complotdenkers op groezelige websites.

Demmink werd er zelfs van beschuldigd dat hij honderden kinderen had misbruikt – sommige ook opgegeten! –, dat hij bij de moorden op Els Borst en Marianne Vaatstra betrokken was en dat hij zich op seksfeesten met andere hooggeplaatsten had verlustigd aan de rituele moord op minderjarige jongens en meisjes. Het is terug te lezen in het boek Complotdenkers – hoe gevaarlijk is het geloof in samenzweringstheorieën? van Maarten Reijnders.

Hoe gevaarlijk? Zéér gevaarlijk, zo is gebleken. Want zulke haatcampagnes krijgen op zeker moment een eigen dynamiek die ook goedgelovige, bonafide buitenstaanders beïnvloedt. Justitie moet de beschuldigingen onderzoeken, ook om ‘doofpotverwijten’ te voorkomen, waarna de serieuzere media inhaken want nieuws is nieuws. Zo wordt de smerigste laster opgetild naar het ogenschijnlijk neutrale niveau van ernstige, mogelijke terechte, beschuldigingen. De rook is al bijna vuur geworden.

Wat in de klopjacht op Demmink zeker heeft meegespeeld, is de in de samenleving breed gedeelde afkeer van de gevestigde machten. Argwaan ten opzichte van die machten kan nuttig zijn, maar in de zaak-Demmink begon het te ontaarden in de paranoia van gestoorde geesten.

Demmink is uiterlijk bewonderenswaardig rustig gebleven onder alle loze beschuldigingen. Hij heeft niet de publiciteit gezocht met een verontwaardigde tegenaanval, maar heeft het gelaten bij een puur feitelijk verweer voor de rechter. Het besef dat hij niets te verbergen had, moet hem door deze moeilijke periode hebben heen geholpen. Maar voor zwakkere karakters had het dramatisch kunnen aflopen.