Column

De straatkat als overlever

Kattenliefhebbers! Jullie zullen naar de bioscoop moeten. Daar gaat deze week de film Kedi in première, een documentaire van de Turkse regisseur Ceyda Torun. Zij woont nu in Los Angeles – zónder kat omdat haar levensstijl dat niet toelaat – maar tot haar elfde groeide ze in Istanbul op, een stad die vergeven is van de straatkatten. Over dát Istanbul gaat Kedi (Turks voor ‘kat’).

Er is niemand in Istanbul die geen herinnering heeft aan katten, legde Torun in The Guardian uit. „Geen generatie is hier zonder katten geweest, dus zijn ze diepgeworteld in ons collectieve geheugen. De mensen hebben ontzag voor de vrijheid van katten, het vermogen om overal in en uit te gaan. En katten geven de mensen in Istanbul een prachtige kans om eventjes liefdevol om te gaan met een wezen dat hen niet beoordeelt, dat geen gedoe geeft met ingewikkelde menselijke relaties. We hebben veel ‘kattenvaders’.” Wat ook helpt, is dat de kat in de islam hoog staat aangeschreven, veel hoger dan de hond.

Maar toch: een 80 minuten durende film over katten – het leek mij geen sinecure. Hoe houd je zo’n film interessant? Het mag vooral geen lange versie worden van de snoezige, maar o zo voorspelbare kattenfilmpjes op internet. In die valkuil is Torun niet gestapt, hoewel ze er ook niet helemaal aan ontkomen is.

Kedi gaat in de eerste plaats over het overlevingsinstinct van de straatkat. Torun volgde zeven katten, luisterend naar illustere bijnamen als ‘The Gentleman’, ‘de charmeur’, ‘de ritselaar’ en ‘Psycho’ (die als een psychopaat heerst over zijn omgeving).

We zien hoe deze katten zich staande houden in het dagelijks leven, hoe zij voedsel aftroggelen in restaurants en huizen, welke relatie er bestaat of groeit tussen de katten en de inwoners, de manier waarop de katten hun territorium afbakenen.

Dat alles laat Torun overtuigend zien, met veel gevoel voor het pakkende detail en de veelzeggende anekdote. Hilarisch was voor mij vooral ‘The Gentleman’, die nooit de delicatessenzaak betreedt of de klanten ervan lastig valt, maar keurig op het raam klopt om de aandacht te trekken. Hij blijft ook kieskeurig. „Hij wilde eerst rosbief en later alleen maar kalkoen”, zegt een personeelslid.

Mijn enige bezwaar tegen Kedi is dat Torun vooral de pittoreske kant van het straatleven van de kat laat zien. De vertederende onderonsjes tussen kat en bewoner, de hartelijkheid van de winkeliers en andere burgers, de liefde van de poes voor haar kittens.

Je zou bijna denken: wat is er leuker voor een kat dan de straat? Vrijheid, blijheid! Maar dan moet ik terugdenken aan de kattenkenner die mij eens zei: „De zwerfkat heeft een hard, zwaar leven. Veel honger, dreiging en ziekte. Als een kat mocht kiezen, koos hij voor een huiselijk leven met zijn natje en zijn droogje en een warme schoot.”

Dat aspect komt maar even in de film voor, aan het einde als een vrouw zegt: „Het is een dilemma. De kat is niet geschikt voor de stad, maar thuis houdt de kat op kat te zijn.”

Vaker hoor je in deze film mensen zeggen dat de kat de vrijheid van de stad juist nodig heeft.

Kedi riep bij mij de onvermijdelijke vertedering op die elke aardige kat opwekt, maar minstens zo vaak voelde ik medelijden.