Juffen en meesters mogen best wat meer verdienen

Onderwijs

Basisschoolleraren verdienen flink minder dan hun collega’s in het voortgezet onderwijs. Terwijl ze vaak net zo hoog opgeleid zijn en er te weinig juffen en meesters zijn.

Foto ANP/Robin van Utrecht

Krijgen basisschoolleraren meer salaris? De komende twee weken beslissen demissionaire coalitiepartners VVD en PvdA daarover bij het schrijven van de Miljoenennota. PvdA-leider heeft gedreigd op de valreep alsnog uit het kabinet te stappen als er geen extra geld voor basisschoolleerkrachten komt. Maar de VVD vindt dat zo’n besluit aan het nieuwe kabinet is.

De roep om een hoger salaris komt van het PO-front, een verbond van leerkrachten in het primair onderwijs, onderwijsbonden, schoolbesturen en schoolleiders. Ze vinden dat ze hetzelfde moeten verdienen als hun collega’s in de onderbouw van de middelbare school. Hoewel je voor beide functies een hbo-opleiding nodig hebt, beginnen leraren van de onderbouw op een middelbare school in een hogere salarisschaal, groeien ze sneller door en ligt hun maximale brutomaandsalaris zo’n 1.000 euro hoger. Een leerkracht in de hoogste schaal van het basisonderwijs (LC, weggelegd voor 0,3 procent van hen) eindigt op maximaal 5.294 bruto per maand (inclusief vakantiegeld). Een docent in het voortgezet onderwijs kan eindigen op 6.298 euro. In deze schaal, LD, zit een kwart van de docenten.

Hoe is dat verschil ontstaan?

Onderscheid in beloning is er altijd al geweest, zegt Mineke van Essen, onderwijshistoricus aan de Rijksuniversiteit Groningen. Al in de negentiende eeuw konden onderwijzers doorleren voor een akte in een bepaald vak, zoals wiskunde of Nederlands. Wie een akte gehaald had, kreeg zo’n honderd euro per jaar meer betaald – of je nou les in zo’n vak gaf of niet. Meer aktes betekende meer geld.

„Dat was een financiële prikkel voor onderwijzers om door te leren”, zegt Van Essen. „En het zorgde voor doorgroeimogelijkheden en status. Het ging er bij de hoogte van het salaris dus niet om hoe zwaar de baan was, maar hoeveel kennis de docent had.”

Toen in de jaren 70 nieuwe lerarenopleidingen ontstonden, werden de opleidingsverschillen tussen leraren kleiner. Maar de verschillen in beloning bleven bestaan. Ook toen de salarisopbouw (voor het eerst en laatst) in 1985 werd vastgelegd in de Hos-nota (Herziening Onderwijssalarisstructuur). Vanaf toen werd er beloond op basis van functie in plaats van opleiding: leraar basisonderwijs, leraar onderbouw voortgezet onderwijs en leraar bovenbouw voortgezet onderwijs.

„Om dichtbij de oude salarissen te blijven, werd het voortgezet onderwijs hoger gewaardeerd”, zegt Robert Sikkes, hoofdredacteur van het Onderwijsblad van de Algemene Onderwijsbond. „Daarover was toen geen discussie.” Het conflict tussen de bonden en het ministerie ging over de verlaging van startsalarissen – niet over de verschillende functies.

Kleuterzaken

Wat de waardering van het primair onderwijs niet hielp, was de samenvoeging van lagere school en kleuteronderwijs in 1985. „De status van de basisschoolleraar is daardoor gedaald”, zegt Van Essen. Door de integratie van de pedagogische academie (de vroegere kweekschool) en de opleidingsschool voor kleuterleidsters (KLOS) werd de nieuwe pabo gezien als „een soort mbo-plus”. Onderwijzers moesten zich opeens gaan bezighouden met ‘kleuterzaken’ als knutselen en spelletjes doen.

Toch duurde het nog jaren voordat de roep om een gelijk salaris vanuit het primair onderwijs opkwam. Die onvrede werd gevoerd, zegt Sikkes, doordat veel basisschoolleraren zich vanwege arbeidskrapte hadden laten omscholen voor een baan op een middelbare school. „Daardoor gingen ze opeens meer verdienen.” Bovendien bestaan nu wetenschappelijke pabo-opleidingen en wil de overheid meer academici voor de klas. En er dreigt een enorm lerarentekort.

Door de samenvoeging van de kleuterschool en de lagere school daalde de status van de basisschoolleraar

Volgens Frank Cörvers, hoogleraar Onderwijsarbeidsmarkt aan Tilburg University, die onlangs onderzoek deed naar de status van de leraar, is er wat voor salarisverhoging van basisschoolleerkrachten te zeggen. Allereerst door de schaarste – het tekort loopt op tot tienduizend leerkrachten in 2025. Daarnaast kan een hoger salaris een manier zijn om meer mannen naar het onderwijs te trekken – nu is 87 procent van de leraren vrouw. Bovendien, zegt Cörvers, is de pabo een volwaardige bacheloropleiding, zeker nu de eisen omhoog zijn gegaan. Daar zou dan ook naar moeten worden betaald.

Ook de inhoud van het vak geeft reden tot verhoging, vindt Cörvers. „Uit tal van onderzoeken blijkt hoe groot het belang is van een goede leraar op jonge leeftijd voor de ontwikkeling van een kind.” Het curriculum is veranderd. „Het accent ligt niet meer alleen op rekenen en taal. Basisschoolleraren moeten pedagogisch-didactisch sterk zijn. Ze moeten diagnoses stellen en differentiëren door elk kind de juiste begeleiding te geven.”

Cörvers is geen voorstander van onmiddellijke generieke salarisverhoging tot het niveau van het voortgezet onderwijs, zoals het PO-front wil. „Kijk naar carrièrepaden en koppel daar een salaris aan, zodat mensen de mogelijkheid krijgen zich te specialiseren. Maak een plan voor de lange termijn, zodat het salaris over vijf of tien jaar op hetzelfde niveau ligt als in de onderbouw van het voortgezet onderwijs.” Daarvoor zou ook een waarderingsonderzoek moeten worden uitgevoerd, vindt Cörvers, omdat beloning nooit helemaal alleen samenhangt met opleiding, maar ook met zwaarte.

Overstappen

Bijkomend voordeel is dat leraren met een gelijk salaris makkelijker kunnen overstappen tussen primair en voortgezet onderwijs, zegt Cörvers. „Daarmee creëer je een flexibele arbeidsmarkt. Dat is handig bij tekorten of overschotten van leraren, die ontstaan door een fluctuerend leerlingenaantal. En je zorgt voor meer carrièremogelijkheden.”

Uiteindelijk, zegt hij, gaat het om de vraag wat je als samenleving wíl betalen. „Als het niveau van een docent op de basisschool hetzelfde moet zijn als op het voortgezet onderwijs, moet je daar een gelijk salaris tegenover zetten. Dat is een politieke keuze.”