Opinie

‘Bioindustrie vergelijken met de Holocaust is niet zo raar’

Het idee dat dieren minder lijden, berust niet op feiten, schrijft . Toch behandelen we ze als minderwaardige productiegoederen.

Beeld uit de bekroonde animatiefilm Chicken Run (2000), met een kippenfarm als een concentratiekamp. Foto Aardman Animations/Dreamworks/Pathé

Nederland slacht elke dag 1,3 miljoen dieren. Daarnaast zijn nu in korte tijd miljoenen legkippen en 160.000 melkkoeien gedood, sommige zelfs drachtig. Kippen werden onrendabel toen hun eieren tijdelijk onverkoopbaar werden; melkkoeien brachten de fosfaatproductie boven de milieugrens, na expansie door melkveehouders – dit alles met toestemming van een overheid die het melkquotum losliet en vervolgens slachtsubsidies uitdeelde (1.200 euro per koe) om weer van de koeien áf te komen. „Gelukt! Het mestprobleem is weer onder controle”, twittert staatssecretaris Martijn van Dam opgetogen. „Boeren & boerinnen leveren een prestatie van megaformaat”, juicht CDA-Kamerlid Jaco Geurts over de gesubsidieerde dood van 160.000 koeien.

Onderwerping op basis van soort is even erg als op basis van sekse of ras

En dan heb ik het nog niet over het korte ‘leven’ van deze miljoenen op elkaar gepropte dieren, dat geen enkel moment van vreugde bevat maar veel angst, beklemming en stress. We hebben allemaal de beelden gezien van tienduizenden ‘scharrelkippen’ die op geen enkele manier hun natuurlijke gedrag kunnen tonen (in rust een ei leggen, met een haan in een toompje scharrelen, eigen kuikens verzorgen). En in het land waar ‘respect voor het leven’ een heet hangijzer is voor politici, verdedigde de staat voor de rechter de miljoenenvergassing van kippen met als argument dat we altijd al volop jonge gezonde dieren doden om de simpele reden dat ze geen economische waarde hebben, zoals eendagshaantjes.

In de ogen van dierenbeschermers zijn deze economische argumenten even absurd en ongepast als de argumenten die er ooit waren voor kinderarbeid en slavernij; financieel voordeel is immers irrelevant en zelfs abject wanneer ethische grenzen worden overschreden. Deze vergelijking wordt gemaakt om te beargumenteren dat ook dieren het respect en de bescherming verdienen die we in de loop van de geschiedenis hebben gegeven aan mensen die werden onderdrukt en uitgebuit.

Helaas werkt de parallel vaak averechts – en helemaal wanneer de industriehallen met duizenden varkens tussen metaal en beton worden vergeleken met concentratiekampen. De dierenbeschermer loopt dan een flinke kans te worden weggehoond als antisemiet, racist, seksist, of dat allemáál. Maar de vergelijking betreft slechts de behandeling van een weerloze groep door een machtiger meerderheid, en de rechtvaardiging daarvan: namelijk dat dieren (of vrouwen, zwarten, enzovoorts) minder rechten hebben, bij gebrek aan intelligentie, bewustzijn of een ‘ziel’.

Morele waarde

Onderzoek heeft aangetoond dat mensen selectief minder morele waarde toekennen aan een dier wanneer het eetbaar is (denk: varken versus hond) of wanneer ze zelf net dat dier gegeten hebben. Het idee dat dieren minder lijden, lijkt dus eerder te berusten op rechtvaardiging van de status-quo dan op feiten: dieren hebben dezelfde oerbehoeften als mensen, zoals het instinct om te blijven leven en eigen kinderen te zogen en verzorgen; ze lijden door dezelfde bedreigingen, zoals pijn en gevangenschap. Toch worden ze behandeld als productiegoederen zonder gevoel en zonder individualiteit, zoals ook ooit slaven en Joden. In die zin leven we te midden van een grootschalige industriële holocaust.

Daarmee zeg ik niets over Joden of andere minderheden; wel dat discriminatie en onderwerping op basis van soort even verwerpelijk is als op basis van sekse of ras. Het eigen-groep-eerst-denken dat leidt tot seksisme, racisme en nationalisme, is ook van toepassing op soorten. Het resulteert ook op dat niveau in een machtigere groep die zichzelf superieur verklaart en een weerloze groep exploiteert tot eigen voordeel. Dat ook de doorsnee consument daar baat bij heeft in de vorm van goedkoop vlees en zuivel, verandert niets aan de ethische toelaatbaarheid.

Integendeel, door aankopen te doen bij deze sector zijn burgers medeplichtig. En met alle informatie die we vandaag de dag hebben, is het onmogelijk geworden straks nog te zeggen: Wir haben es nicht gewusst. Gaat het over Jodenvervolging of kindermisbruik in de kerk, dan vinden we dat stuitend en ongeloofwaardig. Maar wat als over veertig jaar onze kinderen of kleinkinderen zeggen: die vee-industrie, die fabrieken waar levende dieren als dingen werden behandeld – wisten jullie dat allemaal niet? Nee, we wisten het niet. Het kwam ons beter uit om de andere kant op te kijken.