Column

AFC-De Dijk

Ik was bij de voetbalwedstrijd AFC tegen De Dijk in de voorronde van de KNVB-beker, een derby in Amsterdam waar je behalve wat belangstellenden op Sportpark Goed Genoeg niemand een plezier mee deed. Hooguit vierhonderd mensen. En ik, maar mijn interesse was geveinsd. Ik was daar vanwege Maurice, de uitbater van café-restaurant-zalencomplex Frankendael aan de Amsterdamse Middenweg. Ik beschouw die zaak inmiddels als mijn kantoor. Andersom zien ze mij er ondertussen ook steeds meer als een vast gegeven tussen de andere instituten die er hun dagelijkse rituelen uitvoeren.

Ik leerde Maurice kennen nadat ik in NRC een wat uitgeschoten column over Jack van Gelder had geschreven. Jack van Gelder was namelijk zijn beste vriend, ze troffen elkaar altijd bij de thuiswedstrijden van AFC. Hij waarschuwde dat ik de volgende dag beter niet naar ‘kantoor’ kon komen, Jack nam afscheid van de NOS en had de hele zaak afgehuurd. Ik was geen leuke verrassing.

Sindsdien maakten we steeds vaker een praatje in het voorbijgaan, hij betrok me er graag bij als hij een tafeltje verderop met bekende (ex-)voetballers of scheidsrechters zat te lunchen. Ik gaf dan op verzoek mijn mening over het door hem innig geliefde AFC, dat ik alleen al vanwege het grote aantal bekende Nederlanders onder de leden nog duizend keer keer erger vind dan Ajax. Soms gingen ze dat clublied van ze zingen, dat deden ze dan om mij te pesten.

Als zo’n man dan een toegangskaartje voor je klaarlegt, zeg je geen nee.

Nou, daar stond-ie hoor, schuin achter doelman Jeroen Verhoeven van De Dijk, nog niet zo lang geleden reservedoelman bij Ajax. De eerste gedachte na binnenkomst: waarom ligt-ie niet naast zijn beste vriend Jack aan de sigaar op dat eretribunetje? Na vijf minuten begreep ik dat wel: Maurice bleek de enige schreeuwende supporter van AFC. Tussendoor hele verhalen over dat je als speler van AFC een gouden balletje op je colbert krijgt bij een kampioenschap, dat er bij een volgende titel een briljantje bij wordt gezet, dat hij Youp van ’t Hek weleens had zien vlaggen bij de jeugd en dat het bij AFC verboden was om ‘kantine’ tegen het clubhuis te zeggen.

In de rust zong Wesly Bronkhorst op het veld heel enthousiast een medley van zijn grootste hits. Niemand zong mee, ze zaten allemaal in dat clubhuis. De Dijk won, ik miste beide doelpunten. Achteraf jammer dat ik niet met Maurice was meeverhuisd naar achter het andere doel.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.