Naar Amerika om Hollandse kunst te onderzoeken

In de Verenigde Staten bestaat een eerbiedwaardige traditie van bestudering van oude Nederlandse kunst, waarbinnen geëmigreerde Europeanen altijd een belangrijke plaats hebben ingenomen. Een van de bekendste en meest invloedrijke exponenten daarvan was Egbert Haverkamp Begemann die op 5 augustus op 94-jarige leeftijd in New York overleed.

Haverkamp Begemann studeerde kunstgeschiedenis in Amsterdam. In de jaren 1950 was hij assistent-conservator bij Museum Boijmans in Rotterdam. In een interview in Journal of Historians of Netherlandish Art (2013) vertelt Begemann hoe hij na een ontmoeting met de beroemde Duits-Amerikaanse kunsthistoricus Erwin Panofsky, op het idee kwam zijn geluk te beproeven in de VS. Na zijn promotie in 1958 werkte Begemann onder meer als docent aan Yale University in New Haven en conservator aan het daaraan verbonden museum.

In 1969 werd hij gevraagd voor een baan bij het Institute of Fine Arts van New York University. Het tekent zijn praktische instelling dat hij het aanbod weigerde vanwege de torenhoge huizenprijzen in New York. Toen hij het zich in 1978 wel kon veroorloven, meldde hij zich eenvoudigweg opnieuw bij het instituut in New York, waaraan hij vervolgens tot zijn dood verbonden zou blijven.

Het onderzoek van Haverkamp Begemann heeft zich altijd gericht op zestiende- en zeventiende-eeuwse schilders en tekenaars uit de Nederlanden. Hij promoveerde op de Rotterdamse kunstenaar Willem Buytewech, en publiceerde vele artikelen, boeken en tentoonstellingscatalogi over Rubens, Rembrandt en hun tijdgenoten, en Nederlandse kunstwerken in Amerikaanse collecties.

Maar zijn grootste verdienste ligt in de rol die hij in het nieuwe vaderland speelde voor het onderzoek naar de kunst van het oude. Hij leidde een lange reeks Amerikaanse kunsthistorici op die later soms zelf hoogleraar of museumconservator werden. Begemann staat erom bekend dat hij zijn Yale-collega, econoom John Michael Montias (1928-2005), bijstond bij diens baanbrekende onderzoek naar de Hollandse Gouden Eeuw vanuit een economisch-historische invalshoek. In het land dat hij als 35 jarige definitief verliet, werd hij later geridderd en werd hij corresponderend lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen.