Commentaar

Vreemdelingenbeleid kan per definitie niet altijd consequent zijn

Deze week raakte Nederland betrokken bij Howick en Lily van twaalf en elf, uit een illegaal Armeens gezin. Op de valreep van hun uitzetting zijn ze ‘uit logeren’ gestuurd door hun moeder, die vorige week op het vliegtuig naar Jerevan is uitgezet, via Parijs. Haar kinderen zijn dus ‘home alone’, ergens in Nederland.

Eerder, in 2011 ontstond er een golf van publiek medeleven voor de illegale maar ingeburgerde scholieren Sahar en Mauro die naar Afghanistan en Angola terug zouden moeten. Herkomstlanden waar ze de taal niet meer van spreken en waar ze geen netwerk, huisvesting of vrienden hebben.

Dit zijn dus drama’s waarin geen goede beslissingen bestaan. Je zou wensen dat het nooit zover komt, of zover kan komen. Maar het gebeurt keer op keer weer. En wie kun je dat verwijten? In ieder geval niet de kinderen, die voluit de dupe zijn. Wel de ouders, die het goed menen maar een zwaar risico nemen. En dan de overheid, die duidelijk moet zijn en rechtvaardig, maar ook hard, te hard soms.

Onder de volwassenen ontstond meteen touwtrekken. Over de moeder die koppig bleef procederen, hoewel ze al in 2009 per vonnis de toegang werd geweigerd. De staatssecretaris die in gelijke gevallen gelijk wil beslissen en echte vluchtelingen wil laten voorgaan. Moet hij zijn verlies dan maar nemen als er voldongen feiten zijn gecreëerd en het publiek is gealarmeerd? Wat dus betekent dat illegale ouders die hun kinderen gebruiken om verblijf voor het eigen gezin af te dwingen beloond worden. De asielprocedure is dan de facto gekraakt. Willekeur is het resultaat.

Maar die kinderen dan, die zijn ingezet in deze Mexican stand-off tussen migrant en staat, tellen zij niet? Een Gronings onderzoek vorig jaar naar tientallen recent ingeburgerde maar uitgezette Armeense kinderen, bracht psychische problemen aan het licht. Ze zijn moe, somber of boos op hun ouders, hebben moeite met eten, slapen en hoofd- en buikpijn. Ze leven in armoede, zijn geïsoleerd door taalproblemen, hebben een schoolachterstand. De uitzetting heeft hen beschadigd, was de conclusie.

Zou het helpen als het herhalen van verblijfsprocedures werd beperkt? Wie weet, maar in een rechtsstaat is toegang tot de rechter moeilijk eenzijdig in te perken. Snellere uitzetting is evenmin per decreet te regelen. Is het verruimen van het kinderpardon dan een mogelijkheid, zoals de Kinderombudsman en een aantal politieke partijen voorstaan? Vast en zeker, maar het zorgt automatisch voor nieuwe grensgevallen waarvan niet gezegd is dat die mínder schrijnend zullen zijn.

Intussen zet louter het bestaan van een pardonregeling al een premie op koppigheid – alle ouders willen nu eenmaal een betere toekomst voor hun kinderen. De afweging is dan jarenlang procedures traineren in Europa, of uitzichtloos doorleven in arm Armenië. De paradox is dat naarmate ouders dit langer volhouden, zowel de kans op schade door terugkeer toeneemt, als de kans op de hoofdprijs. Een verblijfsvergunning. Dat is voor het gastland geen resultaat om trots op te zijn. De kans op succes moet zo klein mogelijk worden gehouden. Maar incidenteel toegeven is ook, in zekere zin, de prijs van onze welvaart.

Soms is consequent vreemdelingenbeleid in individuele gevallen zó onredelijk benadelend dat er van mag worden afgeweken. De conclusie moet zijn dat een verblijfsvergunning voor Howick, Lily en noodzakelijkerwijs hun moeder, hoewel ongewenst ook onvermijdelijk is. En wel om humanitaire redenen. De kinderen hoeven niet de dupe te worden. Tegelijk moet zoveel mogelijk worden voorkomen dat dit drama zich met anderen kan herhalen.