Interview

‘Als schrijver ga ik niet anders te werk dan als spion’

John le Carré

In de nieuwe roman van John le Carré wordt zijn beroemde spion George Smiley geconfronteerd met een personage dat niets begrijpt van de Koude Oorlog. ‘Ik zie mijn tijd bij de geheime dienst als een soort langgerekte kindertijd.’

Foto Nadav Kander

‘Het moest een roman worden van iemand van mijn leeftijd.” David Cornwell, bekend als John le Carré, is 85 jaar. In zijn nieuwe boek, A Legacy of Spies, grijpt hij terug op de boeken die hem tijdens de Koude Oorlog beroemd maakten, zoals The Spy Who Came in from the Cold, een thriller die geldt als een klassieker. Maar er is geen sprake van nostalgisch terugkijken, maakt hij meteen duidelijk. En het is ook geen vaarwel. „Geestelijk en fysiek voel ik me uitstekend. Wanneer de publiciteit voor A Legacy of Spies gedaan is, ga ik meteen verder met mijn volgende boek.”

Dat zijn nieuwe boek voor verschijning zoveel losmaakt – er staan grote evenementen gepland, waaronder een avond in de Royal Albert Hall, en in de Engelse boekhandels kunnen hongerige lezers een exemplaar voorbestellen – komt doordat Cornwell in A Legacy of Spies zijn ongrijpbare meesterspion George Smiley weer tot leven wekt.

Ik spreek Cornwell in zijn Londense huis, ergens achteraf in een verstilde groene enclave, vlakbij de Hampstead Heath. Sinds onze laatste ontmoeting, zeven jaar geleden, is hij niet veel veranderd. Hij is wat taniger, zijn borstelige witte wenkbrauwen groeien nog wilder boven zijn heldere ogen. Hij is onverminderd uitgesproken over actuele politiek („Mijn land is volledig de weg kwijt”). Meer persoonlijke vragen parkeert hij nog altijd achteloos in een onderhoudende anekdote over anderen. Enthousiast spreekt hij over de research die hij voor zijn nieuwe boek heeft gedaan. Hij bezocht het voormalige Stasi-hoofdkwartier in Duitsland, sprak oud-officieren en reisde door een besneeuwd landschap de route die een overlopende spion begin jaren zestig zou hebben afgelegd, van Berlijn naar Praag.

George Smiley

Waarom toch weer George Smiley, vraag ik. Hij heeft al verschillende keren afscheid van zijn bekendste personage genomen, maar na The Secret Pilgrim (1990) leek het toch echt klaar. „Er was sprake van een televisieserie van The Spy Who Came in from the Cold, maar het lukte ons niet er een hedendaagse draai aan te geven. Dat zette me aan het denken. Ik dacht, hier zit ik als 85-jarige mezelf rekenschap te geven van het menselijke leed dat de Koude Oorlog heeft aangericht. Wat, dacht ik, als die spionnen van toen kinderen blijken te hebben die verhaal komen halen? Wat als een oude spion, mijn personage Peter Guillam, wordt geconfronteerd met de huidige generatie, die zich totaal niet meer kan inleven in de collectieve kruistocht die – God help ons – de meesten van ons toentertijd onderschreven? Tegenwoordig is angst het enige dat ons nog verbindt. Wij hebben geen idee welke kant het met de wereld op zal gaan. Dat maakte het schrijven van A Legacy ook zo lastig en opwindend tegelijk.”

Wat, dacht ik, als die spionnen van toen kinderen blijken te hebben die verhaal komen halen?

Voelde hij geen aarzeling om die wereld weer binnen te gaan, van romans die veertig, vijftig jaar oud zijn? Een wereld bovendien die hij in zijn latere werk rigoureus achter zich gelaten leek te hebben? „Integendeel, het was erg gemakkelijk om me deze personages weer voor de geest te halen. Ze hadden me eigenlijk nooit verlaten. Op de allereerste bladzijde die ik schreef, nog in het geheim tijdens mijn werk voor MI5, kwam George Smiley al voor. Dat was een zo bepalende periode in mijn leven, ik ben erdoor gevormd. Ik belandde op jonge leeftijd in een soort sociaal experiment, waar de personages voor het oprapen lagen. In de gangen van de geheime dienst kwam je relieken van de oorlog tegen, en oud-koloniale bestuurders, sommigen heel intelligent, anderen te dom voor woorden. Het was niet altijd gemakkelijk het verschil te zien. Die jaren brachten me ook tot het inzicht dat geheime diensten altijd de psyche van een land uitdrukken. Waar landen van dromen, wat ze vrezen. Onvermijdelijk hebben zulke organisaties een rechtse signatuur, aangezien ze minder om democratische waarden geven dan om het verdedigen van de status quo. Het kostte me niet de minste moeite er in mijn verbeelding weer terug te keren. Ik heb mijn vroegere boeken ook niet herlezen, zelfs The Spy Who Came in from the Cold niet. De roman moet van de schrijver die ik nu ben zijn. Ik heb Guillam met mijn slechte eigenschappen, althans die waarvan ik mezelf bewust ben, opgezadeld. Hij is nooit volwassen geworden. Hij leunt op Smiley, maar wordt voortdurend geplaagd door een kwaad geweten. Er is een moment in het verhaal dat hij Smiley in een opwelling confronteert met zijn twijfels. De Britse spion Leamas wordt erop uitgestuurd om de Stasi-spion Mundt te doden, maar die werkt ook voor de Britten. Ik begrijp het niet, zegt hij tegen Smiley. Die antwoordt dan alleen: ik benijd je. Ik heb nog nooit een spion ontmoet die zichzelf niet heeft wijsgemaakt dat wat hij doet een hoger doel dient.”

Het kostte me niet de minste moeite er in mijn verbeelding weer terug te keren

Die confrontatie brengt de claustrofobische wereld van zijn vroege werk ook dichter bij hemzelf, de voormalige spion John Cornwell, de oude man die nu tegenover mij zit. „Tot mijn grote genoegen was ik nu in staat mijn eigen twijfels op Smiley over te brengen. En ik kon mijn eigen tijd als spion beter onder ogen zien. Ik werd gerekruteerd op mijn zeventiende en ik bleef werkzaam in verschillende geheime diensten tot mijn eenendertigste. Ik zie het als een soort langgerekte kindertijd. Op een dag word ik volwassen, maar nu nog even niet, zo dacht ik ongeveer. Maar het heeft me gevormd, zoals zijn jaren op zee Joseph Conrad hebben gevormd.”

Grote geheimen

Zijn onwil om buiten zijn romans over zijn werk als spion te spreken is een grote frustratie voor Cornwells biograaf, Adam Sisman, zeg ik. Het blijft onduidelijk wat hij in die jaren nu precies gedaan heeft. „Ik ben nooit in het bezit van grote geheimen geweest. De geheimen die ik bewaarde hadden te maken met de verbintenis die andere mensen met mij aangingen. Ik beloofde hen: als jij voor mij gaat spioneren, dan zullen je kinderen en kleinkinderen en je vrienden dat nooit te weten komen. Dat is het ultieme principe waarop dat beroep stoelt. Anderen hebben zich daar niet aan gehouden, ik wel.”

Speelt er nog iets anders? Hij erkent zelf hoezeer die periode verbonden is met de kern van zijn schrijverschap. Wil hij die herinneringen ook niet gewoon afschermen voor interviewers en biografen, die alles terugbrengen tot droge, misschien wel prozaïsche feiten?

„Dat is misschien wel zo. Ik heb zelf geen egoprobleem. Ik heb tal van andere problemen, daar niet van, maar ik luister liever dan dat ik praat. Ik beschouw schrijven als een privé-aangelegenheid, zelfs als een geheime bezigheid. Daarom neem ik nooit deel aan literaire festivals. Daarom ook spreek ik liever met een houtbewerker dan met een andere schrijver. Ik wil mijn problemen niet delen. Tijdens de research voor mijn boeken ga ik niet anders te werk dan als spion. Voor mijn roman The Constant Gardener, die over ernstige misstanden in de farmaceutische industrie gaat, verzamelde ik zo informatie – niet met de bazen gaan praten, gewoon een praatje aanknopen met personeel in de bar van het hotel. Daarna de belofte: als jij me vertelt wat je weet, laat ik je lezen wat ik ermee doe en niemand zal ooit weten van wie ik het heb.”

Ik spreek liever met een houtbewerker dan met een andere schrijver

Schrijven is voor Cornwell, zo blijkt uit zijn biografie, van levensbelang. Maar toen hij zijn eerste, nogal klassieke detective A Murder of Quality publiceerde, leek het meer een bezigheid om wat geld mee te verdienen.

„Vanaf heel vroeg wist ik dat ik een misfit was, dat ik nergens blijvende intellectuele bevrediging in kon vinden. Ik presteerde slecht op school, hield me bezig met dingen die verder niemand interesseerden. Ik schilderde en tekende vrij goed en zelfs toen ik lesgaf op Eton maakte ik illustraties voor boekomslagen. Dat gaf wat lucht. Maar altijd was er het gevoel dat er ergens een andere dimensie moest zijn waarin ik mijzelf wel kon uiten, maar ik wist niet waar ik die moest zoeken. Toen ik voor MI5 begon te werken, bevond ik me dagelijks in een kantoor dat Sectie 4 genoemd werd, een afdeling die zich bezighield met het monitoren en infiltreren van de Britse communistische partij. Wat trouwens niet al te moeilijk was. De baas van die afdeling heette John Bingham, die in zijn verloren uren op kantoor thrillers schreef, die nog best goed waren ook. De aanwezigheid van die man die daar zat te schrijven, bracht me op het idee hetzelfde te doen. Zijn fysiek – klein, gezet, bebrild – heb ik gebruikt voor mijn personage George Smiley. Na twee boeken was ik naarstig op zoek naar een echte kluif die ik Smiley zou kunnen geven. Ik werd overgeplaatst naar Bonn en vanaf dat moment kwam de geschiedenis in een stroomversnelling, ideaal voor een schrijver zoals ik. De Muur, de Cubacrisis, enzovoort. Voeg er mijn ergernis aan toe toen ik ontdekte dat vijftien jaar na het einde van de oorlog oud-nazi’s overal bij de Duitse overheid hoge posities bekleedden, bij justitie, in het parlement, echt overal.”

Zwitsers chalet

Maar wanneer ontdekte hij dat schrijven een levensvoorwaarde voor hem was? Op zijn leeftijd en met zijn oeuvre zou hij ook wat meer tijd kunnen nemen om vanuit zijn Zwitserse chalet naar de Alpen te kijken.

„Ik heb ontzettend veel geluk met mijn vrouw, Jane. Zij zegt niet, kom we zijn allebei nog goed ter been, laten we de Taj Mahal gaan zien. Zoals de meeste mannen van mijn leeftijd heb ik prostaatkanker. Ik ben een lastige patiënt, geef ik toe, ik heb moeite met de behandeling. Maar ik beschouw iedere dag dat ik kan schrijven als een godsgeschenk.”

Vanaf heel vroeg wist ik dat ik een misfit was

Is er nooit twijfel geweest? „Bij iedere schrijver verandert er iets in zijn leven wanneer hij krijgt waar hij zo hevig naar verlangt. Na het succes van The Spy Who Came in from the Cold was alles wat ik schreef een hoop geld waard. De wereld, zo leek het, keek mee over mijn schouder en de critici scherpten hun messen. Ik begon te twijfelen aan mijzelf. Ik had een kindertijd vol heftige vernederingen achter de rug. Mijn vader, die verscheidene keren wegens zijn oplichterspraktijken in de gevangenis zat, de eindeloze verhuizingen, huizen die door de deurwaarder werden leeggehaald, een moeder die op mijn vijfde haar gezin in de steek liet. Vreselijke jaren op kostschool. Tot mijn elfde heb ik nooit een knuffel van een vrouw gehad. Zo iemand heeft niet veel gevoel van eigenwaarde. Wanneer men je dan ineens geweldig vindt, weet je niet wat je overkomt. Eerst was er nooit geld, ineens is er te veel geld. Zoals zoveel anderen begon ik te drinken en mezelf aan te stellen. De drang om te schrijven heeft me er doorheen gesleept. Het is mijn reddingsboei geweest, zonder het schrijven verlies ik ieder houvast. De blik van de schrijver is mijn natuurlijke blik geworden. Vat het niet persoonlijk op, maar zoals wij hier nu zitten, kan ik het niet laten u te observeren, hoe u zich gedraagt, hoe u zich kleedt, uw schoenen, wat u met uw haar gedaan heeft. De mensen die ik in de bus of de metro zie fascineren mij net zo. Op een bepaalde manier worden zij tot verlengstukken van mijzelf.”

Maar het menselijk verkeer is in zijn werk altijd een spel van illusie en manipulatie. „Dat is bij mijn vader begonnen. Hij was een onverbeterlijke oplichter die zich omringde met zoveel andere poseurs en leugenaars, niemand was wat hij leek. Later in de geheime dienst speelde ik zelf een rol en verzon identiteiten voor anderen, zodat ze zich in bepaalde kringen konden begeven. In mijn fictieve werk kan ik die neiging, het vormen en manipuleren van mensen, op een onschuldige manier ruim baan geven. In mijn kwade tijden heb ik mensen echt geëxploiteerd. Ik was in de greep van de laffe behoefte om deel uit te maken van de instituties, Eton, de geheime dienst. Ik zocht een redder, ik wilde me onderdeel van het systeem voelen, of als je wilt, van een aristocratie. Terwijl ik er niet echt in geloofde! Dat was echt zondig. Aan de andere kant, moet ik meteen erkennen, wat een materiaal heeft me dat opgeleverd!”

In mijn kwade tijden heb ik mensen echt geëxploiteerd

Aan het einde van de nieuwe roman is er een onverwacht emotionele uitbarsting van Smiley. Alles wat hij gedaan heeft, zegt hij tegen Peter Guillam, heeft hij voor Europa gedaan. Niet voor Engeland. Voelt Cornwell zich verraden door Brexit?

„Ja. Absoluut. Net als Smiley heb ik altijd in Europa geloofd, en dat doe ik nog steeds. Ik schaamde me dat mijn land juist op het moment dat de Europese eenheid opnieuw bevochten moet worden, heeft afgehaakt. Natuurlijk is er van alles mis met Europa, maar daar zijn onderhandelingen voor. In plaats daarvan heeft men zich door voornamelijk rijke witte mannen laten verleiden tot idiote fantasieën over het herstel van Groot-Brittannië als wereldmacht. Ik heb geen idee hoe ze dat voor elkaar denken te krijgen. Men heeft mensen met reële problemen, die het establishment decennia genegeerd heeft, lekker gemaakt met een valse voorstelling van zaken. Die mensen hebben om goede redenen voor het verkeerde gekozen. Die actualiteit speelt in mijn volgende boek weer een grotere rol.”

De vertaling van A Legacy of Spies verschijnt op 22 augustus onder de titel Een erfenis van spionnen bij uitgeverij Luitingh Sijthoff. Prijs: € 22,99. De Engelse editie verschijnt op 7 september a.s.