Column

Waarom boer Dennis nog geen robot wil

We eten spinaziestamppot met worst. Wat extra aardappels erbij, omdat ik onverwacht aanschuif. Dit is de boerderij waar mijn moeder opgroeide en ik als jongetje graag logeerde. Rijden op een machtige tractor, onder het toeziend oog van mijn oudste neef. Hij nam de boerderij over van zijn vader. En die weer van zijn vader en die weer van zijn vader.

Er zit een nieuwe generatie aan tafel: schoonzoon Dennis heeft besloten boer te worden, samen met zijn vrouw Annerieke. Hij is een jongen uit het dorp – daar bedoelen ze in mijn familie Winterswijk mee, tegen de Duitse grens aan.

Dennis werkte bij de marine en in de techniek, maar had weinig op met het boerenleven. Tot hij verliefd werd op een boerendochter en het bedrijf van haar ouders. De vrijheid en de afwisseling spraken hem aan. „Elke dag is hier anders. Mijn vrienden begrepen niet waarom ik boer wilde worden, maar nu komen ze graag een dagje meehelpen.”

Erg vanzelfsprekend is bedrijfsopvolging niet meer. Door schaalvergroting daalde het aantal melkveebedrijven in Nederland sinds 2000 met 30 procent, tot minder dan 17.000. Telkens wisselende regels en strenge milieu-eisen (over fosfaten in mest) maken ondernemen complex en de schommelende melkprijzen vergen sterke zenuwen. Niet iedereen wil zulke lange dagen te maken als mijn neef, die vaak tot tien uur ’s avonds doorwerkt om de volgende ochtend weer om half zeven in de melkput te staan. Hij doet het met liefde.

Vier procent van de veestapel moest verdwijnen in het kader van het fosfaatreductieplan. Het werd een pijnlijk rondje door de stal, om de koeien aan te wijzen die weg moeten – geslacht of geëxporteerd. Martha, een melkkoe van dertien die meer dan 100.000 liter gaf, mocht blijven. „Je bouwt toch een band op, als je elkaar elke dag ziet”, zegt mijn neef.

Nu twee gezinnen van de opbrengst van negentig koeien moeten leven dringt zich de vraag zich op hoe de boerderij gemoderniseerd en uitgebreid kan worden. Wel of geen robot, daar draait het om. Zo’n machine die automatisch koeien melkt, terwijl je de boel vanaf je telefoon volgt. Een melkrobot kost 100.000 euro en bespaart je per dag zes uur melktijd. Eén robot kan zestig koeien melken – deze boerderij valt dus net tussen de wal en het schip om te automatiseren.

Er zouden nog dertig koeien bij moeten. Met twee robots, een nieuwe stal en de fosfaatrechten voor extra koeien komt de investering op 1 miljoen euro, zegt Dennis. Hij wil het nog even aanzien – staat niet te popelen om zich in de schulden te steken voor een grotere stal.

Nog een optie: melk van koeien die buiten grazen levert meer op, omdat de zuivel in de winkel dan het logo ‘weidemelk’ krijgt. De beesten moeten dan wel 120 dagen per jaar, zes uur per dag buiten lopen. Als je het aan de koeien vraagt, blijven ze liever in de stal – ’s zomers lekker koel op de roosters, ’s winters aangenaam warm.

Grazende koeien verkopen beter. Er zijn zelfs ‘weide- coaches’ die boeren helpen het ‘natuurlijk graasgedrag’ te herstellen. Hier begint elk kalf in de wei. De eerste kennismaking met schrikdraad gaat onder lichte verdoving: een typsy kalf schrikt niet zo hard en breekt niet zo snel door de draad heen. Koeien in de wei zijn een mooi plaatje, zegt Dennis. Past goed bij het boerenwinkeltje, waar ijs en scharreleieren verkocht worden. Afgelopen weken was het druk omdat veel grensbewoners fipronilvrije eieren kwamen kopen. Unsere Eier sind safe, staat er op een bordje.

„Veel mensen snappen niet hoe het eraan toe gaat op een boerderij”, zegt Dennis. Als boer ben je ondernemer, dierenverzorger, boekhouder, klusser, bioloog en politicus tegelijk. En soms ren je een dag lang achter een weggelopen kalf aan.

Dan is het tijd voor het toetje. Yoghurt en vanillevla, gemaakt van weidemelk.

Marike Stellinga is afwezig.