Verdient zo’n omstreden zeeheld wel een beeld?

Standbeelden

Voorvechters van slavernij werden in de VS van hun sokkel getrokken. In Nederland staan ze er nog, soms met een tekstbordje met uitleg erbij.

De filmset van Michiel de Ruyter, een heldenepos waarvoor in 2014 op het Markermeer een zeeslag werd nagebootst. Foto Piroschka van de Wouw/ANP

Pieter Poot wordt hij genoemd. Met zijn rechterarm in zijn zij kijkt hij uit over een groen veldje en een speeltuin. Zijn houten poot is in brons gegoten. In het Friese Weststellingwerf werd hij geboren. En daar, omringd door nieuwbouw en spelende kinderen, staat vandaag de dag zijn standbeeld. ‘Pieter Stuyvesant, directeur-generaal van Nieuw-Nederland. Aruba, Bonaire, Curaçao’, leest het plakkaat.

Wat er níét staat: ‘Pieter Stuyvesant, slavenhandelaar’.

„Op Curaçao was hij verantwoordelijk voor de opbloeiende slavenhandel”, zegt historicus Alex van Stipriaan, hoogleraar aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. „Bovendien was hij er als gouverneur van Nieuw-Amsterdam, nu New York, voorstander van slaven meer werk te laten doen.”

Stuyvesant zelf schreef ooit: „Het minderwaardig ras, hatelijke vijanden en godslasteraars van Christus mogen niet toegelaten om deze nieuwe kolonie te besmetten en last te veroorzaken.” Dat ging over Joden. Je kunt je nu afvragen: verdient zo’n man een beeld?

In de Verenigde Staten werden de afgelopen dagen standbeelden van voorvechters van slavernij van hun sokkel getrokken. In de Amerikaanse staat Virginia leidde de aankondiging om een beeld van generaal Robert E. Lee te verwijderen tot de grootste demonstratie van extreem-rechts sinds decennia. Er vielen drie doden en tientallen gewonden.

Bestookt met dynamiet

Maar hier staat Stuyvesant nog op zijn sokkel, net als in Hoorn het beeld van Jan Pieterszoon Coen: een VOC-generaal met de bijnaam ‘slachter van Banda’. En als je door een willekeurige gemeente een wandeling maakt, prijken op de straatbordjes namen als Piet Hein, Jan Pieterszoon Coen en Johan Maurits: historische figuren die onlosmakelijk zijn verbonden met het Nederlandse slavernijverleden. Zijn dit ‘onze’ Robert E. Lee’s?

„De discussie die in Amerika aan de gang is, speelt hier ook”, zegt hoogleraar Van Stipriaan. Zo had je het monument voor Jo van Heutsz, gouverneur op Atjeh, in Amsterdam. Na jaren van protest – in de jaren zestig werd het beeld door provo’s al bestookt met dynamiet – werd het in 2004 omgedoopt tot het neutralere ‘Monument Indië-Nederland’. Of neem het beeld van Jan Pieterszoon Coen in Hoorn. In 2012 werd daaraan het bijschrift toegevoegd dat het beeld „niet onomstreden” is: „Volgens critici verdient Coens gewelddadige handelspolitiek in de Indische archipel geen eerbetoon”, leest het.

„Dat is een goed begin”, zegt historicus Dienke Hondius, onderzoeker aan de VU Amsterdam. „Maar het slavernijverleden zou veel vaker gemarkeerd moeten worden.” Want dat wordt het niet op de meeste pleinen, straten, parken, bruggen en tunnels vernoemd naar kolonisten.

Hondius werkt aan een soort reisgids langs het slavernijverleden, met daarin plekken door het hele land die direct met dit verleden zijn verbonden. Eerder maakten collega’s van haar al dergelijke stadsgidsen voor Utrecht en Haarlem. Beelden hoeven wat Hondius betreft niet te worden verwijderd. Een plakkaat met informatie, zoals bij het beeld in Hoorn, is een beter idee. „Het gaat erom dat mensen zeggen: wie was die Coen eigenlijk? Daar denk je anders niet over na.”

Ook Alex van Stipriaan pleit niet voor een „beeldenstorm”, of verwijdering van alle namen uit de Gouden Eeuw uit het straatbeeld. „Als je ze weghaalt, is dat ook een vorm van stilzwijgen”, zegt hij. „Dan schrap je de geschiedenis. Je moet er juist iets mee doen: vertel naar wie zo’n straat vernoemd is, in al zijn facetten. Het is belangrijk om het daarover te hebben, en dat bewerk je niet door alles weg te halen.”

Van Heutsz’ monument werd in de jaren zestig al bestookt met dynamiet door provo’s

Blinkend goud

Het is tijd voor „een nationale discussie”, vindt Gordon Cruden, woordvoerder van het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis (NINSee). „In Nederland is natuurlijk geen burgeroorlog geweest, zoals in Amerika. Er is hier in de geschiedschrijving vooral een nadruk gelegd op verworvenheden: we noemen het ‘Gouden Eeuw’, niet ‘Bloedeeuw’. Maar leg er een vergrootglas over, en je ziet dat niet alles wat blonk goud was.”

Dat de duistere kant van Nederlands nationale ‘helden’ nog niet genoeg leeft, wordt volgens Hondius onderstreept door het voorbeeld van Pieter Stuyvesant – en niet alleen door dat Friese standbeeld. „In Amsterdam werd vorig jaar nog een wijnbar geopend die Stuyvesant heet, nota bene in het West-Indisch Huis, het voormalige hoofdkwartier van de West-Indische Compagnie”, zegt ze. „Ik denk dan: hállo, het is 2017. We hebben het over een slavenhouder, dat kan toch niet meer?”