Recensie

Uilenkasten, bijenlinten en gevelbegroeiing

De groene stad

Dat de stad behalve voor mensen ook voor planten en dieren een dynamisch en divers leefgebied is, blijkt uit de eerste publicatie die het ‘natuurinclusief ontwerpen’ in kaart brengt.

Snelweg nabij Rotterdam. Foto Walter Herfst

Ga de stad in en kijk tussen de stoeptegels of naar de gevels van de huizen: daar groeit en bloeit het volop. Rozen en vlinderstruiken kleuren de geveltuinen, gierzwaluwen nestelen onder de dakpannen en onkruid prijkt tussen de tegels. ‘De stad is een dynamisch en divers leefgebied, niet alleen voor mensen, maar ook voor planten en dieren.’ Dit schrijven Jacques Vink, Piet Vollaard en Niels de Zwarte in hun boek Stadsnatuur maken. Making Urban Nature, dat een inspirerende handleiding is voor de ontwikkeling van meer groen in de stad. De auteurs zijn respectievelijk werkzaam als architect, bioloog en stadsecoloog in Rotterdam.

Door de toenemende verstedelijking woont binnenkort het grootste deel van de mensheid in de stad. Dit stelt aan de stedelijke omgeving hoge eisen. In de stad wonen betekent ook in de stad recreëren, stilte en groen zoeken en de natuur vinden. Inventieve en natuur minnende bewoners leggen zelf geveltuinen en dakterrassen aan, en zorgen op die manier voor meer groen. Maar dat is niet voldoende, stellen de auteurs. Het begin van alle groen in de stad ligt bij stedebouwkundigen en architecten. Het zou standaard moeten zijn om ‘natuurinclusief’ te bouwen. Het is, na milieuvriendelijk en duurzaamheid, een nieuw begrip. Mooi is het woord niet, wel treffend. Dit boek is de eerste publicatie die het natuurinclusief ontwerpen in kaart brengt. Helaas is het taalgebruik, zeker in het begin, opsommerig en ontoegankelijk vanwege het jargon. Bovendien staan er onjuistheden in. Dat de ‘merel een trekvogel is die vooral in de herfst in groepen is te zien’ is foutief; de merel is een standvogel.

Dynamiek is het sleutelwoord in de stadsecologie: het betekent in het kort de samenhang tussen alles wat leeft. Het kost moeite thuis te raken in het boek, door zinnen als deze over het maken van stadsnatuur: ‘Deze vragen, als een vorm van cocreatie van ntauurlijke en menselijke baathouders, zijn het onderwerp van natuurinclusief ontwerpen.’ Wie eenmaal de moeite neemt, komt belangwekkende waarnemingen en richtlijnen tegen. De stad biedt de natuur (planten, dieren, insecten, amfibieën) ideale leefomstandigheden, meer dan het buitengebied dat in Nederland steeds meer een ‘ecologische woestijn’ is, aldus de auteurs. Deze conclusie is even belangrijk als schokkend: ‘De stad zou zelfs kunnen worden gezien als een refugium voor soorten die door de agrarische industrie verdreven zijn uit het buitengebied.’

Hoop

Dus is alle hoop gericht op de stad. Sinds 1970 is de stedelijke omgeving een hot item in de natuurontwikkeling. Grote steden hebben stadsecologen in dienst. Aanvankelijk kwamen deze pas in actie nadat de stedenbouwers en aannemers hun bouwactiviteiten hadden ontplooid. In het nieuwe natuurinclusieve bouwen gaan architecten en ecologen een eensgezinde samenwerking aan om de stad om te toveren tot een natuurparadijs. Bij elke stap in het proces van nieuwbouw of renovatie is de bouwer in steen even belangrijk als de bouwer van groen.

Met ingrepen als boombeplanting, vleermuizen- en uilenkasten, mussennesten, waterpartijen, bijenlinten, gevelbegroeiing en ruigtes in de stad waar anders een stenen plein zou zijn, is de groene stad betrekkelijk makkelijk te realiseren. Stadsnatuur aanleggen is ook spannend. Het begint met pioniersoorten, zoals de rugstreeppad die overal opduikt waar een poeltje is, en daarna breidt de natuur zich uit. Terecht stelt Stadsnatuur maken dat het scheppen van een wilde, groene stad veel gezonder is dan een stad van strakke stenen en spiegelend glas. Het meest toegankelijke deel van het boek is de indrukwekkende lijst van wereldwijde voorbeelden van stadsnatuur. Neem de schitterend ontworpen vijftig meter hoge Toren van de biodiversiteit in Parijs: gevels, balkons en zelfs dragende pilaren zijn begroeid met planten en struiken uit de omliggende bossen. Of de High Line in New York: een oude spoorlijn is rijkelijk beplant. Dichter bij huis, tussen Heerenveen en Mildam, getuigt de Ecokathedraal van ontwerper en ‘wilde’ tuinman Louis Le Roy van een grootse visie, toen al, in 1965: hij creëerde in Friesland met behulp van bouwpuin en stenen een berglandschap waar de natuur ongehinderd tot weelderige bloei kan komen.