Opinie

Streng maar rechtvaardig, ik hoor het mezelf nog zeggen

De zaak van de Armeense vrouw die deze week zonder haar kinderen werd uitgezet, toont opnieuw hoe ratio en emotie in het vluchtelingenbeleid botsen, schrijft . Als burgemeester werd hij geconfronteerd met de ‘heldere’ wet die hij als staatssecretaris moest handhaven.

Foto: ANP / Robin van Lonkhuijsen

Toen ik in 1998 aantrad als staatssecretaris van Justitie, belast met vreemdelingenbeleid, was er, als gevolg van de oorlog in Joegoslavië, sprake van een grote instroom aan vluchtelingen uit dat land. Tegelijkertijd was er een vastgelopen juridisch stelsel, dat, zo stond in het toenmalige regeerakkoord, nodig op de schop moest.

Een helder stelsel moest er komen, dat snel uitsluitsel zou geven over de vraag wie kon blijven en wie niet. Met zo simpel mogelijke regels, die uitvoeringsorganisaties en rechterlijke macht in staat zouden stellen om in maximaal één jaar duidelijkheid te verschaffen.

Zo werden tot dan toe bestaande verschillende soorten verblijfsvergunning afgeschaft, hetgeen het aantal procedures drastisch verminderde. Er werd een verkorte toelatingsprocedure ingevoerd van veertien dagen voor diegenen van wie op voorhand duidelijk was dat zij kansloos waren voor een vergunning; ook dat verminderde de druk op de uitvoering van het vreemdelingenbeleid. En wie geen vergunning kreeg, moest er zelf voor zorgen om terug te keren naar het land van herkomst. Streng maar rechtvaardig, ik hoor het mijzelf nog zeggen – zoals ik het veel van mijn opvolgers hoor zeggen.

De wet was begrijpelijk vanuit rijksbeleid, maar moeilijk voor lokaal beleid

Nu, bijna twee decennia later, worden wij opnieuw geconfronteerd met procedures die jaren voortslepen. De kwestie van de Armeense moeder met haar twee minderjarige kinderen die al negen jaar in Nederland zijn zonder verblijfsvergunning, is daar een treffend en hartverscheurend voorbeeld van.

Hoe komt het dat alle pogingen om snel en helder duidelijkheid te verschaffen over de vraag of iemand in aanmerking komt voor een vergunning telkens mislukken?

De regels rond het Kinderpardon zijn inconsistent omdat de politiek ze nooit in een wet heeft gegoten, betoogt Carolus Grütters.

Daar zijn verschillende redenen voor. De belangrijkste is natuurlijk dat diegenen die hun toevlucht zoeken in ons land, hier niet komen om weer weg te gaan: zij zoeken een plek om veilig te leven – en geef ze eens ongelijk. Zij hebben zich heel veel moeite en vaak grote financiële offers getroost om hier te komen. Wanneer je je probeert te verplaatsen in hun positie, begrijp je dat ze alle mogelijkheden aangrijpen om die verblijfsvergunning te krijgen.

Allereerst is daar het vluchtverhaal en de vraag waar iemand nu precies vandaan komt: vaak moeilijk om precies te achterhalen, want heel vaak hebben vluchtelingen geen papieren bij zich. Soms omdat die hun zijn afgenomen, soms moedwillig omdat het hun kansen op verblijf vergroot, omdat onduidelijkheid over het land van herkomst terugkeer, en zeker snelle terugkeer belemmert.

Tijd wordt een argument

Dan is er de advocatuur: advocaten helpen, zoals het goede advocaten betaamt. Geverseerd als zij zijn in het asielbeleid, speuren zij naar iedere mogelijkheid en ieder precedent dat zij maar op het spoor kunnen komen, en pogen zo, met hart voor hun cliënten, het beste voor hen te bereiken.

Wat als er een ernstige ziekte in het spel is: is dat niet een valide reden om, misschien maar tijdelijk, een vergunning te verstrekken – zeker wanneer aantoonbaar is dat die ziekte in het land van herkomst niet behandeld kan worden? Wat als er kinderen in het spel zijn? Wat als betrokkene in ons land een nieuwe relatie krijgt? Stuk voor stuk ingewikkelde vragen, die de essentie van een individueel leven raken en dus tijd kosten om te beantwoorden; tijd die in het voordeel van betrokkenen werkt.

Er komt een moment waarop ‘tijd’ een zelfstandig argument wordt

Want er komt een moment waarop ‘tijd’ een zelfstandig argument wordt: ieder generaal pardon is daarop gebaseerd. Mensen zijn nu zó lang in ons land, dat zij hier geworteld zijn. Voor kinderen geldt dat in het bijzonder. En zo’n pardon komt tot stand omdat een reeks individuele gevallen zó schrijnend is, dat je het niet over je hart kunt verkrijgen om in die gevallen geen vergunning te verstrekken.

Die mogelijkheid is er: de staatssecretaris heeft een discretionaire bevoegdheid tot zijn beschikking. Hij mag, in schrijnende gevallen, afwijken van zijn eigen beleid. Maar leidt dat er niet toe dat die schrijnende gevallen op den duur onderdeel van het beleid worden? Advocaten houden heel goed in de gaten of de argumenten die in zo’n schrijnend geval speelden, niet net zo goed spelen in een ander geval.

En zo zien we – en ik denk dat dat onvermijdelijk is – dat vreemdelingenbeleid waarbij snelheid van besluitvorming een essentieel element is, op den duur toch weer leidt tot langdurige procedures. Soms is dat in het belang van betrokkenen: wanneer dat inderdaad leidt tot een verblijfsvergunning. Is dat niet zo, dan zijn het verloren jaren, wat óók schrijnend is.

Burgemeesterschap

Na mijn staatssecretariaat werd ik burgemeester. Zo werd ik geconfronteerd met mijn eigen wet. Een wet die zei dat uitgeprocedeerde vluchtelingen zelf moesten zorgen voor hun terugkeer, en geen hulp of steun van de staat meer kregen. Dat was begrijpelijk vanuit rijksbeleid, maar moeilijk voor lokaal beleid. Want uitgeprocedeerden die niet terug konden of wilden, mogen dan wel van de radar van het rijk verdwenen zijn, zij zijn wel mensen van vlees en bloed die in gemeenten rondlopen. Dat heeft in veel gemeenten geleid tot (zij het ook minimale) ondersteuning. En dat heeft in de afgelopen kabinetsperiode weer geleid tot de bed-bad-brood-discussie, die nog niet tot een einde is gekomen.

En zo botst het vluchtelingenbeleid eeuwig tussen ratio en emotie: we kúnnen niet alle vluchtelingen opnemen, maar dat leidt wel tot hartverscheurende taferelen, die, niet bij iedereen, maar wel bij velen, tot grote morele problemen leiden. Dat zal, vrees ik, nooit veranderen.