Recensie

Spelen met rivieren, havens en delta’s

waterstaat

Het Waterloopbos was een bijzondere werkplek. Hier werden de grote waterwerken van de 20ste eeuw uitgeprobeerd.

Onderzoek naar een veilige passage van de kruising van Amsterdam-Rijnkanaal en Lek. foto’s uit besproken boek

Als oud-werknemer van het Waterloopkundig Laboratorium Lou Verhage langs het strand loopt, kan hij het bouwen van dammetjes toch niet laten. Zevenenveertig jaar hield hij zich professioneel bezig met de dynamiek van golven, maar ook na zijn pensioen blijft spelen met water gewoon leuk.

Verhage is een van de oud-medewerkers die in geuren en kleuren verhaalt over het baanbrekende waterloopkundige onderzoek in het Waterloopbos in De Voorst (Noordoostpolder). Het was zonder twijfel ook een van de wonderlijkste onderzoeksplekken van Nederland, zo blijkt wel uit de verhalen en de schitterende foto’s in het boek dat verscheen over dit bijzondere laboratorium.

De ontwikkeling van het waterloopkundig onderzoek in Nederland is nauw verbonden met de twee grootste waterbouwprojecten van de 20ste eeuw: de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee en de Deltawerken. Afsluiten van zeearmen kan namelijk niet zomaar. Als er iets moeilijk is te berekenen, is het wel het gedrag van stromingen en het effect ervan op waterstanden en golfhoogtes.

Hydraulica

Een Staatscommissie onder leiding van de grote natuurkundige en Nobelprijswinnaar Hendrik Lorentz legde met waterloopkundig onderzoek (hydraulica) de basis voor een meer wetenschappelijke aanpak van de waterbouw. Veel vraagstukken bleken echter nog veel te ingewikkeld om te berekenen. Jo Thijsse, zoon van de bekende natuurbeschermer Jac. P. Thijsse, kreeg carte blanche om ook modelonderzoek te doen. Het voorzag in zo’n grote behoefte dat in 1927 in Delft het Waterloopkundig Laboratorium werd opgericht met Thijsse als directeur.

Eind jaren dertig al drong bij een enkeling het besef door dat het in de Nederlandse delta bepaald niet veilig wonen is: de eerste plannen voor de afsluiting van de deltawateren zagen het licht. Als de Nederlandse aartsvijand op 1 februari 1953 onbarmhartig toeslaat, is er al een eerste getijmodel van het deltagebied gemaakt en is het buitenlaboratorium De Voorst in de Noordoostpolder al in gebruik. Mede door die opgedane kennis en de daar verworven inzichten verliep de uitvoering van het Deltaplan feitelijk op rolletjes. Ook tal van buitenlandse opdrachtgevers klopten voor onderzoek bij het laboratorium aan, zodat er in het Waterloopbos tal van modellen van buitenlandse delta’s, rivieren en havens zijn gemaakt.

Maar de Deltawerken bepaalden toch de agenda op de aanvankelijk bijna 90 hectare grond waar een fijnvertakt slotenstelsel met stuwen en kleppen de stroommodellen van rivieren, kusten, zeearmen, sluitgaten en sluizen van water voorzag. Elders op het terrein bevonden zich bassins waarin golfmachines golven opwekken ten behoeve van haven- en kustonderzoek. Eerst lagen de modellen gewoon in de buitenlucht. Maar een beetje wind ontwikkelde zich op modelschaal snel tot storm en de meetapparatuur bleken extreem gevoelig voor waterverontreinigingen zoals algen. Het overdekken van de modellen bleek de oplossing te zijn en er werd overgegaan op leidingwater.

Het getijdemodel van IJmuiden. Uit besproken boek

Oosterscheldehal

In een loods van honderd bij veertig meter bevond zich het getijmodel van het Brouwershavense Gat. De in 1968 gebouwde Oosterscheldehal kreeg een oppervlakte van maar liefst 2,5 hectare. Het hele bekken achter het zeegat (het kombergingsgebied) van de zee tot en met het Volkerak bij Willemstad was daarin nagebouwd.

De medewerkers van destijds vertellen vol passie over hun werkzaamheden. „We hadden een Pippi-Langkous-mentaliteit,” vertelt Abe Hoekstra. „De een was nog eigenwijzer dan de ander.” Geen ander instituut ter wereld beschikte over zoveel waterloopkundige kennis. Dat het een bijzondere werkplek was, is op te maken uit de prachtige foto’s in het boek. Zo is te zien hoe twee ingenieurs, keurig in pak, sigaartje in de hand, met twee man personeel uiterst relaxed de stroming in een model bestuderen. En er waren waaghalzen als de labfotograaf die vanaf duizelingwekkende hoogte vanaf zijn laddertoren foto’s maakte van de in het water drijvende pingpongballetjes en papiersnippers, om zo stroompatronen te ontdekken.

Computers

Toen de Maeslantkering in 1997 als laatste Deltawerk gereed kwam, was het waterloopkundig modelonderzoek in De Voorst al over het hoogtepunt heen. Met computers konden de meeste situaties veel beter worden gesimuleerd en berekend. Het laboratorium trok zich weer terug in Delft en het Waterloopbos raakte weldra in verval. Voor de grote schoonheid, de natuurwaarde en de cultuurhistorische betekenis van het terrein bestond aan het eind van de twintigste eeuw vrijwel geen aandacht. Zelfs het met zorg opgebouwde archief was vogelvrij verklaard; de paperassen dwarrelden door het bos. Misschien is dat wel de reden dat in dit boek de modellen zelf en de resultaten van het onderzoek helaas niet worden beschreven.

Gelukkig kwam het terrein net op tijd in het bezit van Natuurmonumenten. Het fraaie boekwerk toont duidelijk dat Natuurmonumenten al even trots is op dit bezit als de medewerkers van weleer die destijds terdege beseften dat zij werkzaam waren in een bijzonder stukje natuur. Inmiddels is het Waterloopbos tot Rijksmonument verklaard. Er ligt een prachtig plan voor gedeeltelijk herstel.

En het Waterloopbos had als een Hollands Pompeï qua natuur ook nog eens een verrassing in petto, vertelt ecoloog Piet Bremer. „Doordat voor de modellen van heinde en verre bijvoorbeeld zand is aangevoerd, is er een ongekende soortenrijkdom.”

Frans Bosscher e.a., Het Waterloopbos, uitgeverij Blauwdruk, ISBN 978-94-92474-07-0. Prijs € 29,50