Recensie

Een fascinerende geschiedenis van de twintigste eeuw

Anthony Burgess De onlangs vertaalde roman Machten der duisternis van de Brit Anthony Burgess (1917-1993) leest als een pleidooi voor meer vileinheid in de literatuur. Empathie is niet altijd het beste ingrediënt voor romans.

Head VI van Francis Bacon, 1949, gemodelleerd naar een portret van paus Innocentius X door de Spaanse schilder Diego Velázquez. Foto Peter Barritt

Halverwege de jaren dertig levert de auteur Kenneth Toomey een filmscript in over Koning Arthur. Het staat vol ronkende zinnen als: ‘Ook al sterven we, het geloof kan nooit ten onder gaan. Ons bloed zal als rook opstijgen naar de zon, en het zal voor de Vader van alle dingen als wierook zijn. Uit de grond die wij voeden met ons bloed zal een nieuw ras van christenen opschieten.’ Niet geheel verrassend vindt de regisseur van de film het helemaal niets. Arthur klinkt als een dominee, stelt hij terecht vast. ‘Al dat gezeur over god. We willen een menselijk verhaal.’ Het is een van de weinige keren dat Toomey geen concessies doet. Hij ontbindt het contract en vertrekt naar nazi-Duitsland, waar royalty’s klaar liggen voor de verfilming van een van z’n romans – een ‘bergfilm’ vol blonde jongens en meisjes.

Het verlangen naar een menselijk verhaal: het is een veelzeggende scène in de weergaloze, nu pas vertaalde roman Machten der duisternis van Anthony Burgess. De roman van de auteur die vooral beroemd werd dankzij Clockwork Orange verscheen oorspronkelijk in 1980 als Earthly Powers en vertelt het verhaal van de homoseksueel Kenneth Toomey, die vanaf de Eerste Wereldoorlog zijn katholieke geloof verliest. Hem is op zijn 81ste gevraagd een boek te schrijven over paus Gregrorius XVII, die op het punt staat heilig verklaard te worden. Toomey, inmiddels een rijke auteur van slechte boeken, filmscripts en musicalachtige theaterstukken, was getuige van een wonderbaarlijke genezing door Gregorius, toen deze nog Carlo Campanati heette.

Terwijl Toomey uitgezakt en verlept in zijn bed ligt, overpeinst hij het verzoek. Wil hij het verhaal vertellen van Campanati, die ook toevallig de broer van zijn zwager is, dan zal hij zijn eigen leven te boek moeten stellen, plus alle discussies die de twee hebben opgenomen over vrije wil, liefde en homoseksualiteit. Deze gesprekken kunnen alleen op papier gezet worden wanneer duidelijk is in welke situaties Toomey terechtkwam dankzij zijn homoseksualiteit. Wat volgt, is een fascinerende geschiedenis van de twintigste eeuw, verteld vanuit het perspectief van een opportunistische homoseksueel. Een man die je kort kunt typeren als iemand die niet voor zijn geaardheid durft uit te komen, in zijn werk geen stelling durft te nemen, vrienden en collega’s in de kou laat staan wanneer er keuzes gemaakt moeten worden, en die zich uit situaties redt door ongelukkige keuzes die onveranderlijk voortkomen uit escapisme en angst voor de omgeving.

Hypocriet katholicisme

Machten der duisternis breekt een lans voor de acceptatie van homoseksualiteit, ridiculiseert de hypocrisie van het katholicisme en speelt een spel met werkelijkheid en verbeelding (gebeurtenissen presenteren die nooit hebben plaatsgevonden). Dit zijn echter niet de redenen waarom de roman anno 2017 nog steeds boeit. De fascinatie zit in de toon en de manier waarop Burgess zijn personages neerzet.

Dit is al te lezen in de openingsscène, wanneer er een aartsbisschop langskomt en Toomeys schandknaap hem alvast iets inschenkt. Hier staat hoe Toomey zichzelf en zijn minnaar bekijkt: ‘Ik bleef nog even liggen, naakt, vlekkerig, vaalbleek, uitgemergeld, een sigaret rokend die postcoïtaal had moeten zijn maar het niet was.’ Over de minnaar staat er: ‘Geoffrey trok puffend zijn sandalen aan, waarbij zijn buik zich in drie rollen vet plooide, en daarna zijn gebloemde overhemd.’ Geoffrey is er, ondanks zijn eigen verval, vooral om de tragiek van een afgetakelde en afgedankte Brit-op-retour te tonen, in de woorden van Burgess: ‘jij afgeleefde decadente uitgemergelde zieltogende pestlijder van een witte lul’.

Nietsontziend is Burgess in zijn beschrijvingen. Zo ook van de paus in wording en diens eetgewoonten, waarbij het vet soms van de zinnen afdruipt. De paus eet bijvoorbeeld ‘met zweetdrijvende concentratie’. Ook de decadentie van de Britten in de koloniën wordt op zo’n manier neergezet dat je gaat vermoeden dat verveling de hersenen kan aantasten.

Een verkrachtingsscène van een matroos die de toekijkende Toomey een erectie ontlokt, eindigt met: ‘de jongen lag naar adem happend op de grond, afschuwelijk besmeurd, zijn ontblote achterwerk naar de hemel gericht. Een sterke windstoot blies de wolkenflarden voor de maan weg.’ De vileine details, het beschimpen van de mensen die hun draai in de maatschappij gevonden lijken te hebben en de nietsontziende gruwelijkheden, of het nu een verkrachting is, of iemand van wie het gezicht is weggevreten, of de paus vlak na zijn sterven – ze zijn het resultaat van een auteur die, ondanks zijn bestsellers vol kluchten en liefdesverhalen, een ‘onbevreesd boekstaver van Gods schepping’ zou moeten zijn.

Toen Machten der duisternis verscheen, werd er vooral gewezen op het spel dat Burgess speelde met de werkelijkheid en de knipogen die hij gaf om duidelijk te maken dat we hier vooral met fictie te maken hadden. De verteller was onbetrouwbaar en had niet voor niets een slecht functionerend hart. Dat is nog steeds een interessante kant van het boek – je kunt er eventueel een vakantiespel van maken en het boek zou uitstekend passen in een of ander college over postmodernisme. Het boeiendst is echter vooral Toomey, dat personage van het vileine soort dat je in ons taalgebied ook wel vindt bij W.F. Hermans, Hugo Claus en Gerard Reve.

Geloofwaardigheid

Het lijkt alsof dit soort schrijver nauwelijks meer bestaat – en daar zijn denk ik drie mogelijke verklaringen voor. Een aanwijzing zit bijvoorbeeld in de afgewezen Arthurscène waarin te weinig ‘menselijkheid’ zit. Het is niet dat romans vroeger vol stichtelijke woorden zaten over opoffering, maar het lijkt wel alsof de hang naar menselijkheid in de literatuur is toegenomen. Neem een veelgebruikt criterium dat gebruikt wordt in de beoordeling van een roman: de geloofwaardigheid van een personage. Als Burgess iets toont, dan is het dat we moeten terugverlangen naar het ongeloofwaardige personage. Het minder menselijke personage biedt meer ruimte voor vileinheid, beschimping en interessante extreemheden.

Een tweede verklaring sluit hierop aan: het verlangen van de lezer naar een toegankelijke intellectueel die mededogen toont. Burgess zet dat zelf treffend neer wanneer Toomey 48 is. In de spiegel ziet hij een man ‘opgelaten, niet geliefd behalve bij zijn lezers, vermoeid, getekend door het goede leven, een onderkin, grijzend en dunnend haar’.

Wie tegenwoordig nog met een beschimping van het katholicisme of homoseksualiteit als taboe aankomt, is te laat en potsierlijk bezig

Het portret dat hij van zichzelf heeft laten maken, toont echter: ‘het toonbeeld van een populaire romanschrijver, ongegroefd en met dromerige ogen van de jeugd, maar met een wijsheid waarvoor een hoge prijs was betaald: een man die je kon vertrouwen maar niet te veel, bereisd, trefzeker in zijn kunstsmaak, niet angstaanjagend hyperintellectueel maar belezen en voldoende intelligent, scherp of meedogend naar gelang de gelegenheid vereiste wanneer hij in de massamedia zijn mening gaf’.

Het verlangen naar een dergelijk type schrijver is alleen maar toegenomen, en als de romanschrijver ook nog eens een bekende tv-persoonlijkheid is, is het helemaal kassa.

Je kunt stellen dat Burgess het makkelijker had: wie tegenwoordig nog met een beschimping van het katholicisme of homoseksualiteit als taboe aankomt, is te laat en potsierlijk bezig. Maar neem een nog steeds geldend taboe als pedoseksualiteit: niemand zal het in zijn hoofd halen om een verlopen, misogyne pedoseksueel neer te zetten. Het debuut Muidhond van Inge Schilperoord werd juist geprezen omdat het de eenzaamheid en de worsteling van het pedoseksuele hoofdpersonage invoelbaar maakte.

Burgess toont dat we ook ruimte moeten bieden aan het meedogenloze personage. Invoelbaarheid is goed in het dagelijks leven, maar begrip en empathie zijn niet altijd geschikte ingrediënten voor de literatuur.

Sociale media

Tot slot spelen, hoe voorspelbaar ook, de sociale media een rol. Iets of iemand beschimpen hoeft niet meer in een roman of in een polemiek, een genre dat niet voor niets zo goed als uitgestorven is; dat kan op Facebook of Twitter. Soms is dat geestig, maar vaak ook wat vrijblijvend: de maatschappelijk betrokken auteur die zich opwindt over Donald Trump, woedend is over foto’s van vluchtelingen op de Middellandse Zee of andere onderwerpen waar ieder weldenkend mens ongeveer hetzelfde over denkt.

Burgess laat niet alleen zien hoe de literatuur er voor de social media uitzag, maar ook dat een auteur juist niet altijd correct moet zijn. Dat we meer Toomeys nodig hebben, niet alleen om de geschiedenis ter vervalsen, maar ook om de medemens te beschimpen, om onvervalst opportunist te zijn.

Het kan gebeuren dat je als auteur, net als Toomey, dan vervalt tot ‘een te hoog geprijsde zwanenzang waarbij het gakken van de gans regelmatig de klank van de zwanenkeel overstemt’. Maar het kan ook leiden tot Machten der duisternis, die we ook figuurlijk te vaak missen in de literatuur.