Column

Mosselen op Scheveningen

Op het perron was hij al naast ons komen zitten, een opzienbarend dikke man met korte beentjes die hijgend in een saucijzenbroodje hapte. Eten moest zijn lust en zijn leven zijn, misschien droomde hij er zelfs van.

Het had hem niet mooier gemaakt. Zijn gezicht was een ballon die op barsten stond, één prikje moest voldoende zijn. Mijn vrouw en ik keken elkaar aan met dezelfde onuitgesproken vraag op de lippen: mijn god, waarom wil iemand zó dik zijn?

In de trein ging hij dicht bij ons zitten, alsof hij besefte dat hij voor ons een intrigerende verschijning was. Het was ook mogelijk dat hij dacht ons een plezier te doen met een lichaamsfunctie die niet kon worden gezien: zijn stem. Het bleek een stem die volmaakt paste bij de enormiteit van zijn lichaam: een donderend geluid dat het treincompartiment tot in alle hoeken en gaten vulde.

Hij had al iemand aan de telefoon toen de trein nog niet reed. We hadden onze koffers net moeizaam bij enkele lege zitplaatsen geparkeerd. Tot de NS is het nog niet helemaal doorgedrongen dat sommige reizigers de eigenaardige gewoonte hebben om bagage mee te nemen. Tussen en onder de banken is er vaak geen plaats en in de hoge rekken past alleen een gehalveerde dwerg.

„Ha, dank je!…” schalde het opzij van ons. „Ja, eenenvijftig alweer, hoe vind je dat? En, nee, nog steeds niet volwassen, zeg dat wel, hahaha!”

Was het verbeelding of begon de krant in mijn handen inderdaad te trillen onder invloed van de onstuitbare geluidsgolven?

„Ja…ik ben onderweg naar Den Haag, zomaar een dagje uit, je mag jezelf best verwennen op je verjaardag…niet dan? Op Scheveningen ga ik vanavond lekker mosselen eten, want de zeelucht maakt hongerig, je kent mij. Hahaha! Hoe is het met Elly? O jammer. Geef me haar maar even.”

„Ha Elly! Hoe is het ermee?…Ja, ik hoor het net van Theo. Vervelend, het is een tegenvaller, maar je leert er wel mee leven, El, dat komt wel goed. Ja, ik ben onderweg naar Den Haag. Eerst een tentoonstelling bekijken en dan naar Scheveningen. Daar ga ik met een vriend mosselen eten. Frietje erbij, biertje, gezellig!”

Zijn luidkeelse conversatie ontlokte mij een spontane lach. Hij moet het gehoord hebben, want hij liet zijn stem iets dalen terwijl hij, nog altijd uitstekend verstaanbaar, zei: „Ik moet wat zachter praten, El, ik zit in de trein.” Ze praatten nog even tot hij riep: „Leuk dat jullie gebeld hebben…joehoe…doei!”

Ik vroeg me af of achter zijn uitgelatenheid een eenzame man schuilging. Waarom wilde iemand op zijn verjaardag mosselen eten in Scheveningen? En waarom dook er opeens een vriend op in zijn tweede gesprek?

Zijn telefoontje zoemde weer. „Dank je…” zei hij, opeens toonlozer, alsof hij weinig zin had in dit nieuwe gesprek. Hij was weinig aan het woord. „Glaucoom”, ving ik op en: „Alzheimer? Ja, dan gaat het snel.” Pas daarna kwamen de mosselen aan de beurt. „Ik heb een etentje met een groepje vrienden op Scheveningen – ja, gezellig.” Zijn stem stierf weg. „Sorry, Ton, ik moet ophouden, er wordt weer gebeld.”

Hij legde het mobieltje weg. In gedachten verzonken keek hij naar buiten. De trein raasde voort, op weg naar het goede leven aan de kust.