Interview

‘Mannen komen er zó makkelijk af met kinderen’

Lunchinterview Schrijfster en theatermaker Marjolijn van Heemstra vertelt graag verhalen, liefst waargebeurde. „In het gewone leven zit al zó veel.”

Foto Merlijn Doomernik

Een café in Amsterdam-Noord, niet ver van de pont. Zachte jazz, laptops, broodjes met sla die bijna te ingewikkeld zijn om te eten – het grotestadsleven. Amsterdam-Noord, althans het deel dicht bij de pont, is tegenwoordig echt hip, zeg ik, om me heen kijkend. „Ja dat zeggen mensen”, zegt Marjolijn van Heemstra (36). Ze woont er nu vier jaar en heeft de buurt snel levendiger zien worden. „Maar bijvoorbeeld op een dinsdagochtend merk je daar weinig van, dan is er echt niets waar je koffie kan drinken.” In één van haar columns schrijft ze hoe ze ’s ochtends over straat zwerft met haar zoontje dat net kan lopen en binnen niet meer te houden is en hoe dankbaar ze is als de supermarkt een ontbijtbuffet heeft geopend. „Het riep destijds laatdunkende gedachten bij mij op. Wie ontbijt er in godsnaam in de supermarkt? Nu wist ik wie: wij.”

Marjolijn van Heemstra is schrijfster en theatermaker en ze heeft twee kleine kinderen, zoals lezers van Trouw weten, waarin ze wekelijks een column schrijft. Onlangs verscheen bij uitgeverij Cossee de bundeling Het groeit! Het leeft! De eerste twee jaar met kind, waarin ze schrijft over de vele gewaarwordingen die iemand heeft die ineens het leven deelt met een klein kind. Het ouderschap is, schrijft ze, zoveel ráárder dan ze dacht. „Ik bevind me nu in een parallelle wereld van knisperdingen, toeterboekjes, minimutsjes, nachtelijke dwalingen tussen de bad- en de slaapkamer, lapjes, doekjes, halfslaap, verpletterende verliefdheid en vreemde, nieuwe angsten.” Haar boek gaat over angst en verbazing, over tijd en toekomst, over één wezen zijn en twee gescheiden wezens worden. Ze schrijft erin ook dat vriendinnen haar waarschuwen voor, of eigenlijk tégen, het onderwerp moederschap: dan word je ‘die moeder’. Maar daar is ze niet zo bang voor.

„Mensen kunnen ook over hun ziekte schrijven of over hun verhuizing”, zegt ze nuchter. Ze vond het moederschap zó’n grote transformatie dat ze daar per se over wilde schrijven. En er zijn, heeft ze gemerkt, ook mensen zonder kinderen die het lezen, of mannen. Ze vindt haar columns, terecht, ook meer gaan over hoe je in het leven staat. „Meestal als er over kinderen geschreven wordt, is het alsof het een soort depressie betreft, waar je met zelfhulp weer uit moet komen. Of het is allemaal grappig.”

Serieus, maar met humor

Van Heemstra neemt de dingen serieus, maar met humor en met enige theatraliteit. Ze is niet voor niets ook theatermaker. Ze vertelt graag verhalen, ook op het toneel, liefst waargebeurde: „In het gewone leven zit al zó veel. Ik vlecht altijd een paar geschiedenissen dooreen – ineens wordt iemands verhaal dan onderdeel van iets groters.”

In de theatervoorsteling Zohre die ze deze zomer speelde, vertelt ze het verhaal van haar Afghaanse oppas Zohre. Ze doet dat samen met de oppas. „Toen ik Zohre ontmoette was ze heel eenzaam, heel verloren. Ik heb geprobeerd om samen met haar de puzzelstukken van haar leven enigszins aan elkaar te leggen, voor zover mogelijk. Dat was de basis van de voorstelling. Het hielp haar om een verhaal te maken van haar leven, dat gaf haar, hoop ik, weer wat perspectief. ”

Maar het leven ís intussen geen verhaal, zeg ik. Wel en niet, vindt ze. „Met het verhaal dat je over jezelf vertelt, kun je jezelf gelukkiger maken, maar ook ellendiger. En je verbindt je met anderen door iets te vertellen.” Die verbinding, daar gaat het haar om. Anders zijn we allemaal losse eilandjes, en dat lijkt haar geen goed idee. „Daar worden we geen betere mensen van, daar krijgen we geen betere samenleving van.”

En dat moet wel? vraag ik. Niet omdat ik het antwoord niet kan raden: het is overduidelijk dat dat is wat haar drijft. Ja, zegt ze, dat is wat ze heeft meegekregen van haar ouders, dat je je moet bekommeren om je medemensen. Van Heemstra doet dat in het theater door daar verhalen te vertellen: dat van Zohre, het verhaal van haar ‘bommenneef’, het verhaal van priester Remy Jacobs die in zijn jeugd misbruikt werd. ‘Echte’ verhalen, van echte mensen. Ze acteert zelf niet, dat wil zeggen, ze gebruikt alleen theatrale middelen om de aandacht vast te houden. „Ik ben nog nooit opgekomen als iemand anders”, zegt ze. En lachend erachteraan: „Misschien zou dat de grote doorbraak zijn, als ik eens een hysterische man speelde.”

Ik beschouw bijna alles als een oefening

Ze gelooft het zelf niet echt. Haar eerste roman, De laatste Aedema, was een verzonnen verhaal, waarin zij niet als zichzelf-met-theatrale-middelen optrad, maar vermomd als een ander, zij het geen hysterische man. Het beviel haar maar matig. Er ontbreekt iets in, zeg ik, de overtuigde aandrang om dit verhaal te vertellen. „Ja”, zegt ze. „Ik zie dat boek als een oefening.” Ze schiet in de lach, omdat ze daarnet nog zei ook haar columns als ‘een oefening’ te beschouwen. En ook als ze met een theaterproductie bezig is, denkt ze dat ze aan het oefenen is. „Ik beschouw bijna alles als een oefening.”

Alsof ooit, later pas, het echte aan zal breken? probeer ik psychologisch.

„Ja, zoiets. De volwassenheid.”

Lees ook het interview met schrijfster Leïla Slimani: ‘Soms verlang je als moeder naar je eigen leven’

Maar ze is natuurlijk volwassen, met twee kinderen, al die theaterproducties, twee boeken en twee dichtbundels. Er verscheen dit jaar behalve de gebundelde columns nóg een boek van haar, eigenlijk de voornaamste aanleiding om met haar te gaan praten. Het heet En we noemen hem, en het heeft alles wat ze graag heeft: een ware geschiedenis, vervlochten met een ander verhaal, en het geheel met theatrale middelen tot een eenheid gemaakt. Zo vervlochten en verdraaid dat ze het boek met recht ‘een roman’ noemt. Een roman waarin het nieuwe leven dat bij haar op komst is, en dat een naam moet gaan krijgen, verbonden wordt met de geschiedenis van een verre neef die kort na de oorlog op Sinterklaasavond ‘een bommetje’ bezorgde bij een voormalige verrader. Ze draagt, vertelt ze in het boek, al jaren de ring met familiewapen die die neef ooit heeft gedragen, en die haar gegeven is met de opdracht om haar zoon naar de neef te noemen. Frans. De ring zit hier in het café zichtbaar aan haar vinger. Maar haar zoon heet Eyse.

Drie dagen zonder naam

„Ik heb écht overwogen om mijn zoon Frans te noemen. Even maar eigenlijk, want mijn vriend vond het meteen al geen mooie naam. Onze zoon heeft uiteindelijk drie dagen zonder naam geleefd, die vernoeming vond ik wel echt iets heel groots. Wie wordt hij, welk verhaal geef ik hem mee?”

„De vernoeming of de benoeming?”

„Allebei”, zegt ze, „Want naar wie vernoem je hem dán? Een naam is ook een verhaal. Zoiets als een eerste woord. Ik vond het heel belangrijk dat dat klopte.

Hij is dus vernoemd naar Eise Eisinga, de man die in zijn huis in Franeker een planetarium heeft gebouwd in de achttiende eeuw. „Ik wilde heel graag iets van de associatie met de sterren, met het heelal, mee geven.”

Het eerste gedicht in haar eerste dichtbundel is een gedicht voor André Kuipers en het heet ‘Aan een ruimtevaarder’. Wat haar daar toch zo in aantrekt?

Er is zo veel en het is zo groot, zegt ze. Dat geeft haar een gevoel van ruimte in haar denken. „En als ik mijn zoon daarnaar vernoem, hoop ik dat hij denkt aan die ruimte.”

Vanuit de ruimte bestaan wij bijkans niet, zeg ik. Jij eindigt je eerste gedicht met de vraag aan Kuipers die door de ruimte zweeft met een vraag aan hem: „en wil je zeggen dat ik er ben?”

„De grootte van de ruimte en dan de kleinheid van één mens, raakt me”, zegt ze. „ Aan de ene kant is het een heel heftig onderscheid, die ruimte en wij, maar aan de andere kant is er geen onderscheid. Dat gevoel had ik sterk toen ik zwanger was: het gebeurt niet alleen buiten mij maar het gebeurt ook in mij. Ik ben ook een soort universum. Dat vond ik zó groot. Verder vond ik zwanger-zijn verschrikkelijk.”

Ze schrijft dat ze altijd gedacht heeft dat een zwangerschap partners dichter bij elkaar brengt, maar dat ze het zo niet voelt. Dat ze dolgraag met haar vriend zou willen ruilen.

„Het is zo’n aanslag op je leven en je lichaam, en het is per definitie niet eerlijk verdeeld. Maar ook daarna niet, als het kind er is. Het zijn altijd de vrouwen die de telefoonnummers hebben van de oppas. Mannen komen er zó makkelijk af. Ik heb een fantastische man, daar niet van, en ik heb nooit last gehad van enige discriminatie. Maar sinds ik moeder ben, voel ik het toch een beetje, hoe je gedwongen wordt een bepaalde rol op je te nemen.”

Moeder zijn verandert iemand sowieso, zeg ik. „In je columns schrijf je ook over nieuwe angsten. Voor de toekomst bijvoorbeeld …”

„Het viel me ineens op dat wij altijd maar het einde van de wereld verwachten”, zegt ze.

„… of voor wat voor iemand je zoon zal zijn.”

„Ik citeer Szymborska: ‘Wie is dat snoesje in dat babyjurkje toch? / Dat is nu de kleine Adolf, ’t zoontje van de Hitlers’. Maar ik kan me er nu niets bij voorstellen. Die kinderen zijn zo lief. Nu ja, net als de kleine Adolfje.”