Column

Liever welvaart dan kritiek in Singapore

In westerse beeldvorming is Singapore een toonbeeld van kapitalistische deregulering, varend op de golven van globalisering. Voor Brexiteers het model voor het Verenigd Koninkrijk. Inderdaad is de stadstaat ongekend open voor buitenlandse investeerders, bloeit de overslageconomie door lage importtarieven en zijn sociale uitkeringen beperkt. Tegelijk bedrijft het land sinds de jaren 60 een planmatig staatskapitalisme dat ook China inspireerde, heeft het een enorme migrantenbevolking en kent het een staatswoningbeleid waarvan Britse liberalen gruwelen.

Singapore stelt ons politieke begrippenkader op de proef. In het Westen veronderstellen we dat autoritaire staten als vanzelf democratischer worden naarmate hun burgers welvarender, bereisder en beter geïnformeerd zijn. We gaan uit van één wereldhistorische beweging: de mars naar democratie, hand in hand met de vrije markt. Dat beeld wankelde met de financiële crisis van 2008, die Amerika en Europa hardere klappen toediende dan staatskapitalistisch China. Maar hier in Singapore neemt de spanning tussen democratie en kapitalisme andere vormen aan. De bevolking verkiest in meerderheid consumptie boven kritiek.

Sinds de onafhankelijkheid in 1965 regeert er één partij, de PAP van de grote man Lee Kuan Yew (1923-2015), met grote steun van de bevolking. Bij verkiezingen haalt de partij steeds circa tweederde van de stemmen. Aan de steun zitten twee kanten: succes en repressie. Succes kwam snel. Na de onafhankelijkheid kon de staat al snel economisch resultaat boeken, waarin de bevolking deelde: banen, huizen, publieke voorzieningen; in later stadium comfort en consumentisme. Etnische spanningen tussen Singaporezen van Chinese, Maleisische, Indische en andere afkomst werden bedwongen door opgelegd multiculturalisme, met bijvoorbeeld etnische quota in woonblokken en Engels als lingua franca.

Volksinvloed voegt in de ogen van de elite weinig toe; integendeel, de kortademige stembuscyclus doorkruist langetermijnplanning. Veel Singaporezen delen deze afweging. Trots zijn burgers op de gewonnen strijd tegen corruptie – een zichtbare plaag in de hele regio, van de Filippijnen tot Maleisië of Thailand. Met verwondering zien ze hoe misbruik van vrije meningsuiting in Europa het vreedzaam samenleven tussen bevolkingsgroepen hindert. Velen nemen de autoritaire staat op de koop toe. Achilleshiel van deze vorm van legitimiteit is wel dat succes moet blijven komen, op straffe van kritische stemmen.

Door repressie, tegenwoordig van softe aard, zijn die er nu maar in beperkte mate. Critici zien hun carrière beknot of, in geval van buitenlanders, hun verblijfsstatus niet verlengd. De rode lijnen tussen wat je wel en niet kunt zeggen zijn niet scherp. Dit geeft marge, maar ook onzekerheid. De steun voor de staat leunt zo ook op zelfcensuur. Voor zover de autoriteiten meebewegen met een roep om politieke liberalisering, is dat veeleer op de pragmatische grond dat de moderne kenniseconomie behoefte heeft aan vrij denken en creativiteit.

In de jaren negentig ontwikkelde men hier het concept van ‘Aziatische waarden’ als beschermingswal tegen de oprukkende liberalisering. Democratie en mensenrechten waren goed voor het Westen, aldus het argument, maar niet ‘universeel’; Azië heeft een andere cultuur.

Wij, door koloniaal schuldgevoel geplaagde Europeanen, waren en zijn gevoelig voor dat argument. Paradox is wel dat sommige van mijn gesprekspartners nu betreuren dat het Westen niet harder op democratische waarden tamboereert. Anderen observeren dat de ruimte voor kritiek die er is, niet wordt benut. Zoals socioloog Chua Beng Huat, die deze week bij de presentatie van zijn boek Liberalism Disavowed over de steun voor de PAP zei: „Mensen zijn geen slachtoffer van de staatsmedia. Singaporezen kunnen heus zelf beoordelen wat rationeel is of niet.”

is politiek filosoof. Hij verblijft deze maand aan de Lee Kuan Yew School of Public Policy van de Nationale Universiteit van Singapore.