Column

IJzersterk land, zwak bestuur: de zelfoverschatting van Nederland

Deze week: waarom er een kabinet dreigt te ontstaan waarvan niemand echt houdt.

Ofwel: een ijzersterk land dat zich een zwak bestuur meent te kunnen permitteren.

Ze hebben vakantie gehad, ze zijn uitgerust – maar het blijft een formatie met de allure van jaren vijftig-televisie. Alles langzaam, alles besloten: welkom terug bij het Polygoon-journaal met Philip Bloemendal.

Wat allang gezegd is, moet opnieuw worden gezegd. Zelfs na principe-akkoorden over belangrijke thema’s herhaalt alles zich: de argwaan die groot blijft, de aarzelingen die telkens de kop opsteken.

Dit duurt nu zolang dat onderhandelende fracties iets meemaken dat je niet vaak ziet: het land is zo verveeld over de formatie dat het zijn belangstelling vrijwel volledig heeft verloren.

Vrij naar Loesje: stel het was kabinetsformatie en er kwam niemand kijken?

Zelfs nadat deze week via het AD kwetsbare conceptafspraken over medisch-ethische thema’s en meerouderschap bekend werden, ontvingen de meeste fracties amper ongeruste mails.

Mensen gaan blijkbaar pas weer opletten, zei een betrokkene bij de onderhandelingen, als het kabinet er is.

Het paradoxale is dat het land zo de ogen sluit voor het voornaamste feit dat deze formatie blootlegt: de onregeerbaarheid van Den Haag is al maanden onheilspellend dichtbij.

Het gevolg is dat nu vier partijen tot elkaar veroordeeld zijn die zich geen van allen helemaal senang in deze setting voelen.

Ze tonen plichtsbesef. Ze nemen risico’s: ze komen niet alleen op voor het eigenbelang, ook voor het algemeen belang. Ze tonen moed.

Ze zijn, uiteindelijk, moediger dan de schreeuwers die zich straks, als het kabinet er is – want uiteindelijk komt het er –, vanaf de zijlijn melden met kritiek waar ze nu al een half jaar op oefenen.

Tegelijk zie je ook dat onderhandelende partijen hun reserves niet kwijtraken. De overgave ontbreekt. Dit is een moetje. Een wel erg breekbaar verstandshuwelijk.

Hoe broos het fundament is, bleek dinsdag uit de reactie van Gert-Jan Segers, de leider van de ChristenUnie, op die berichtgeving in het AD over medisch-ethische kwesties.

Hij was zeer ontstemd over het lek, en maakte daar in de media én aan de onderhandelingstafel geen geheim van.

Vooropgesteld: dit was natuurlijk knappe journalistiek van het AD. Meteen kwamen in Den Haag speculaties op gang wie ‘het lek’ was – de meeste aanwijzingen gingen in de richting van één partij – maar elke verslaggever die wel eens de ontvanger van een lek is geweest, weet dat die dingen meestal niet zo eendimensionaal zijn: vaak wordt er pas gelekt als journalisten hebben laten merken dat ze al geïnformeerd zijn over een bepaald thema.

Tegelijk is een relativering op zijn plaats: kabinetsformaties waarin géén conceptteksten uit een regeerakkoord vroegtijdig bekend worden, zijn hoogst zeldzaam.

Maar Segers ontvlamde. Hem dreef, zeiden ze in de CU, de weerzin tegen ‘Haagse spelletjes’. Dat klinkt natuurlijk nobel: wie is er vóór Haagse spelletjes? Maar het suggereert dat de burelen van de CU een lekvrije zone zijn, en ik weet niet of dat juist is.

Verder viel me op dat Segers – en de andere onderhandelaars – niets over de inhoud van de gelekte compromisteksten zeiden. Dat was tot op zekere hoogte te billijken: het waren concepten.

Maar de vermoedelijke oplossing die eruit bleek, was nou niet echt een verrassing: het nieuwe kabinet laat wetgeving voor voltooid leven achterwege, en het onderzoek naar embryo’s wordt verruimd om risico’s op ernstige erfelijke ziektes te verkleinen.

Eén gevoelig thema gegund aan Pechtold, één aan Segers CU: geen slechte score voor een partij met 3,3 procent van de stemmen. Er kwam nog bij dat ook de afspraken over meerouderschap in het voordeel van de CU uitpakte.

Maar in Segers’ achterban was dat embryo-onderzoek natuurlijk zeer omstreden. In dat opzicht begreep ik zijn weerzin wel.

Er kwam bij dat de concepttekst volgens het AD geen veto uitspreekt over het initiatief van D66 voor een voltooid leven-wet. In de campagne noemde Segers dit nog een breekpunt.

Maar probleem is altijd geweest dat de CU helemaal niets te breken hééft: het recht op wetgevingsinitiatief is voor elke parlementariër grondwettelijk vastgelegd.

Ook D66 voerde met dat voltooid leven trouwens iets te enthousiast campagne: de partij kondigde in december een initiatiefwet aan – maar dat is nog steeds niet ingediend. Tegelijk is de kans op parlementaire steun en snelle invoering uiterst klein.

De slotsom was dat beide partijen volgens dit compromis inleverden op hun principes: precies zoals het hoort in een formatie.

En Segers is weliswaar een geliefde collega in Den Haag: een man die openstaat voor elk gesprek, zonder gedoe of machiavellisme.

Maar zijn bokkigheid over het lek, dinsdag, zette andere onderhandelaars wel aan het denken.

Rutte, Buma en Pechtold zitten sinds het begin van deze eeuw in de landspolitiek, en zij weten: een vierpartijencoalitie met één zetel meerderheid zal voortdurend te maken krijgen met lekken.

Dus dat Segers, in de landspolitiek sinds 2012, zoveel misbaar maakte bij het eerste het beste lek, stelde de anderen bepaald niet gerust.

Lees hier een portret van Gert-Jan Segers: Vier keer verrast, nu bijt Segers van zich af

Ook voor deze coalitie lijkt de immigratiepolitiek bovendien de achilleshiel te worden. Er is nog geen overeenstemming over, begrijp ik, maar VVD en CDA moeten er rekening mee moeten dat zij, zéér tegen hun zin, bij zaken als het kinderpardon en ‘bed-bad-brood’ veren moeten laten.

Ook dit raakt aan een lastigere vraag die in partijen knaagt: kán deze coalitie wel wat worden, ofwel: moeten onderhandelende partijen hierin wel investeren?

Er komen vermoedelijk zestien ministersposten (zes VVD, vier CDA en D66, twee CU), en veel wijst erop dat, afgezien van Rutte, de politiek leiders in de Kamer zitting nemen.

Onder onderhandelaars kun je optekenen dat zij de aandacht voor Wilders, Baudet en de linkse oppositie weg hopen te nemen door als coalitie in de Kamer een open onderling debat te voeren.

De consequentie van die keuze is ook dat er een kabinet van relatieve nieuwelingen (Carola Schouten, Wouter Koolmees, Wopke Hoekstra) en veteranen (Arie Slob?) wordt verwacht, waarbij sommigen blijven hopen dat Buma op het laatst voor het ministerschap van Financiën kiest.

Intussen staat het land er ijzersterk voor. Deze week bleek dat de nationale economie dit jaar met 3,3 procent groeit. Een spectaculair cijfer voor wie nog weet dat economen bij het begin van Rutte II somberden dat de structurele groei voortaan met moeite de één procent zou ontstijgen.

Het extra geld dat vrijkomt is handig voor het klimaatbeleid dat het nieuwe kabinet voorstaat, waarbij nadruk ligt op eenmalige investeringen woningisolatie de korte termijn) en windmolens op zee (de lange), en coalitiepartijen zinspelen op een nieuw energie-akkoord.

Tegelijk bleek deze week dat het zogenoemde houdbaarheidssaldo – het structurele overschot na 2021 – uitkomt op een schamele 0,2 procent, één miljard euro per jaar.

Het vergroot de noodzaak van hervormingen, en sociale partners kregen woensdag niet voor niets extra tijd van de onderhandelaars voor een akkoord over een geïndividualiseerd pensioenstelsel: dit zou het houdbaarheidssaldo verhogen, en dus de structurele bestedingsruimte van het kabinet.

Maar scepsis is geboden. De kans is klein dat werkgevers en bonden hierin meegaan, en zo is het beeld compleet.

Eerst zadelde de kiezer de politiek op met een zeer gefragmenteerde Kamer die alleen de meest minimale meerderheidscoalitie weet te vormen. En nu ook de polder niet over de brug dreigt te komen, zitten deze vier partijen met gevaar voor eigen leven vast aan dit hachelijke avontuur.

Nederland voelt zich blijkbaar zo sterk dat het zich, verveeld over het Haagse gedoe, een zeer zwak kabinet denkt te kunnen permitteren. Je kunt denken: wat een zelfvertrouwen. Je kunt ook denken: wat een zelfoverschatting.