Opinie

Het Kinderpardon denkt niet genoeg aan het kind

Welk kind mag in ons land blijven? De regels zijn inconsistent omdat de politiek ze nooit in een wet heeft gegoten, betoogt

Een jongen vraagt op het Plein met een bord aandacht voor de situatie van een uitgeprocedeerde asielzoeker tijdens een manifestatie, georganiseerd door de internationale organisatie Defence for Children. Foto Robin van Lonkhuijsen / ANP

De uitzetting uit Nederland van een Armeense moeder zonder haar kinderen veroorzaakte deze week commotie. Vooral omdat het de eerste keer was dat de Nederlandse overheid een ‘gescheiden uitzetting’ realiseerde. In sommige reacties werd de schuld vooral bij de moeder gelegd, in andere bij de staatssecretaris die anders had kunnen beslissen. Daarbij wordt echter vergeten dat de regels zelf in deze kwestie op zijn minst merkwaardig zijn. Ik bedoel de regels van het zogeheten Kinderpardon.

De jongere mag niet de dupe zijn van het gedrag van overheid of een ouder

Bij de formatieonderhandelingen van het kabinet-Rutte II in 2012 werd afgesproken dat er iets zou worden gedaan aan het probleem van langdurig in Nederland verblijvende kinderen zonder verblijfsvergunning. In grove lijnen werd een eenmalige regeling geformuleerd: het Kinderpardon. De strekking was dat de jongere niet de dupe mocht worden van getouwtrek of getreuzel van de overheid of ouders. Het is immers niet in het belang van het (jonge) kind om langdurig in onzekerheid te verkeren. Van de ruim 3.000 aanvragen werd ongeveer de helft gehonoreerd. Daarnaast werd aan een beperkt aantal van degenen die voor het Kinderpardon waren afgewezen alsnog een vergunning verleend door de staatssecretaris, die gebruik maakte van zijn discretionaire bevoegdheid.

Permanente regeling

Het bijzondere aan deze regeling is dat in het regeerakkoord van 2012 ook werd afgesproken er een permanente regeling van te maken, zij het met enkele aangescherpte voorwaarden. Een ruwe schets van die regeling werd opgenomen in de Vreemdelingencirculaire, een verzameling beleidsregels, met de uitdrukkelijke toezegging dat deze ‘Regeling Langdurig Verblijvende Kinderen’ in de wet zou worden geplaatst.

Vijf jaar later staat deze permanente regeling nog steeds niet in de wet, alleen in de Vreemdelingencirculaire. Dat lijkt een detail, maar het verschil met een wettelijke regel is enorm. Een beleidsregel wordt namelijk niet getoetst op juridische onjuistheden of inconsistenties; een wet wel; bijvoorbeeld door de afdeling wetgeving van het ministerie.

Gezond verstand zegt: hier klopt iets niet

De kinderen van de Armeense moeder vielen destijds niet onder het Kinderpardon, omdat ze (in 2012) nog geen vijf jaar in Nederland verbleven. Ze vielen daarna ook niet onder de permanente Regeling, omdat ze niet voldeden aan de strikte voorwaarde van de zogenoemde ‘meewerkplicht’. Deze ‘meewerkplicht om te vertrekken’ is gebaseerd op de merkwaardige logica dat er ofwel niet is meegewerkt, en er dus geen recht is op een verblijfsvergunning, dan wel dat er wel is meegewerkt omdat de vreemdeling is vertrokken. En in dat laatste geval heb je geen verblijfsvergunning meer nodig. Gezond verstand zegt: hier klopt iets niet.

In het eerste jaar van de permanente Regeling werden de net-niet-gehonoreerde gevallen van het Kinderpardon alsnog gehonoreerd: enkele tientallen kinderen met eventuele broertjes, zusjes en ouders. Sindsdien zijn vrijwel alle verzoeken met een beroep op de permanente Regeling afgewezen. Het aantal verleende vergunningen in 2016 is op de vingers van een hand te tellen: één gezin.

De zaak van de Armeense vrouw die deze week zonder haar kinderen werd uitgezet, toont opnieuw hoe ratio en emotie in het vluchtelingenbeleid botsen, schrijft Job Cohen.

De vraag of de Regeling wel klopt – of misschien innerlijk tegenstrijdig is – is herhaaldelijk opgeworpen. De hoogste bestuursrechter heeft echter geoordeeld dat de voorwaarden die de Regeling stelt op zichzelf niet onredelijk zijn, omdat het tot de beleidsvrijheid van de staatssecretaris behoort om beleidsregels te formuleren. Die rechter ging echter voorbij – of wilde de vingers niet branden – aan de vraag of de Regeling zelf wel in overeenstemming is met de ratio van de regeling, en met het Verdrag inzake de Rechten van het Kind.

Hier zit de crux. De Regeling Langdurig Verblijvende Kinderen had nooit in de vorm van een beleidsregel mogen worden gegoten. Die zijn er om details te regelen. Deze Regeling is echter een volledige en afgebakende regeling, die een zelfstandig recht op verblijf geeft. De enige plaats daarvoor is in de wet. Bij de toetsing van de formulering van de regels in de wet zou dan ook de ratio van de Regeling als richtlijn kunnen worden gehanteerd: de jongere mag niet de dupe worden van het gedrag van de overheid of een ouder.

Dat is immers geen vrijblijvend uitgangspunt dat naar wens van de staatssecretaris kan worden ingevuld. Het is een principe, vastgelegd in het ook door Nederland geratificeerde Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Daarin staat dat bij iedere beslissing die betrekking heeft op kinderen het belang van het kind voorop dient te staan. Dat principe geldt in iedere situatie. Zelfs als de moeder van alles heeft gedaan om de zaak te traineren, kan ik me niet voorstellen dat er zinnige argumenten zijn om het in het belang van het kind te achten dat een moeder gescheiden van haar kinderen wordt uitgezet. Dat is een kwestie van principe.