Heineken betaalt Congolezen na klacht mensenrechtenschending

Mensenrechten

Heineken werkte in Congo samen met rebellen om zo’n 150 medewerkers te ontslaan. Die laatsten eisten een schadevergoeding.

Een reclamebord voor Primus, het belangrijkste lokale biermerk in bezit van Heineken. Heineken heeft vijf brouwerijen in Congo. Foto Olivier van Beemen

Heineken heeft een groep Congolese oud-medewerkers die in oorlogstijd werd ontslagen, een bedrag uitbetaald van in totaal 1,3 miljoen dollar (1,1 miljoen euro). De bierbrouwer wilde dat geheim houden, maar NRC kreeg inzage in vertrouwelijke documenten die dat bevestigen.

Het collectief van zo’n 150 ex-werknemers was actief in de brouwerij van Bukavu in het oosten van de Democratische Republiek Congo, toen daar in 1998 een burgeroorlog uitbrak die tot 2003 zou duren. De multinational heeft het conflict volgens de oud-medewerkers gebruikt om massa-ontslagen te rechtvaardigen en werkte daarbij samen met de gewelddadige rebellenbeweging RCD-Goma, die het destijds voor het zeggen had in Bukavu.

In Congo moeten autoriteiten toestemming verlenen voor grootschalige ontslagrondes en Heineken kreeg die van de rebellen, aan wie de brouwer ook belasting betaalde. De productie ging gewoon door en de vertrokken medewerkers werden vervangen door goedkopere dagloners, wat erop wijst dat ze niet overbodig waren geworden. Heineken zegt dat dat nodig was om flexibeler te zijn en kosten te besparen.

Individuele compensatie

Volgens de oud-medewerkers schond de brouwer de mensenrechten én de richtlijnen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), waaraan multinationals zich wereldwijd zouden moeten houden. Zij richtten zich daarom in december 2015 met hun klacht tot het Nationaal Contactpunt OESO-richtlijnen (NCP) in Den Haag, dat toeziet op de naleving van die richtlijnen. Het NCP heeft bemiddeld in de zaak, onder meer door gesprekken tussen beide partijen te organiseren op de Nederlandse ambassades in de Oegandese hoofdstad Kampala en Parijs.

Heineken schakelde een Belgisch advocatenkantoor in dat voor elke betrokken werknemer een individuele compensatie berekende. Vrijwel alle klagers hebben een vergoeding ontvangen, tot maximaal 36.500 dollar (31.000 euro). Dat is een aanzienlijk fortuin in Congo, volgens de Wereldbank het op twee na armste land ter wereld. Heineken heeft verder toegezegd nieuw beleid te ontwikkelen met richtlijnen voor zakendoen in instabiele landen en conflictgebieden.

De klagers zijn tevreden met de uitkomst. Sommigen vragen al meer dan vijftien jaar om een redelijke schadevergoeding, maar telkens kregen ze nul op het rekest. Heineken adviseerde hun in een brief in 2010 hun tijd niet langer te verspillen en ook toen de klacht eind 2015 werd ingediend bij het NCP, liet een woordvoerder weten dat de oud-medewerkers nergens recht op hadden. Volgens de klagers is de publiciteit die de zaak kreeg in onder meer NRC en de Franse krant Le Monde van groot belang geweest voor de veranderde opstelling van Heineken.

De brouwer bevestigt dat dat een rol heeft gespeeld. Obbe Siderius, die zich namens Heineken over het dossier heeft ontfermd, zegt het te betreuren dat het zo lang heeft geduurd voordat het bedrijf de klacht serieus nam. Hij erkent dat er fouten zijn gemaakt, maar zegt dat Heineken niet onrechtmatig heeft gehandeld en dat er evenmin sprake is geweest van contractbreuk. Bovendien zijn alle zaken volgens Heineken inmiddels verjaard. Uit „redelijkheid en billijkheid” zijn de klagers toch uitbetaald.

Vrees voor precedentwerking

Siderius prijst de oud-werknemers vanwege hun serieuze aanpak en zegt ze „bijna erkentelijk” te zijn. Hij benadrukt dat Heineken met alle oud-medewerkers ter plaatse persoonlijke gesprekken heeft gevoerd. Ook de rol van het NCP wordt geprezen. Dat de brouwer de vergoeding vertrouwelijk wilde houden, heeft volgens Heineken te maken met de precedentwerking die van de uitkomst zou kunnen uitgaan. Volgens het bedrijf gaat het om een louter arbeidsrechtelijke zaak, waarbij de beschuldiging van medeplichtigheid bij mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden al snel naar de achtergrond verdween.

Maartje van Putten van het NCP spreekt van een „heel bijzonder proces”. „Dit speelde al zo lang”, zegt ze. „Mijn complimenten voor beide partijen, die hun best hebben gedaan en bereid waren naar elkaar te luisteren.”

„Dit is een historisch akkoord”, reageert Joseph Wilde-Ramsing van de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO), die de groep werknemers van advies voorzag. Hij prijst de Congolezen voor „hun onvermoeibare inspanningen om voor hun rechten op te komen”. De zaak laat volgens hem de potentie zien van het NCP als effectief instrument voor burgers die zich door bedrijfsactiviteiten benadeeld voelen en daarvoor genoegdoening zoeken.

Voor Heineken is het niet de enige recente tegenslag in het Centraal-Afrikaanse land, dat tot voor kort als veelbelovende groeimarkt werd beschouwd. Als gevolg van politieke en economische instabiliteit maakte de brouwer vorig jaar een afschrijving bekend ter waarde van 233 miljoen euro.