Column

Fascistoïde machismo groeit als elite zoete broodjes bakt

Bewapend radicalisme krijgt juist kansen als het democratische establishment niet zeker is van zijn zaak, schrijft Hubert Smeets.

Leden van de alt-right-beweging in gevecht met de ‘antifa’s’, in Charlottesville. Foto Chip Somodevilla/AFP

Gemankeerd presidentskandidaat Mitt Romney, partijgenoot van Donald Trump, dacht het heilloze debat over Charlottesville woensdag eenvoudig te kunnen smoren. ‘Alternatief rechts’ en zijn tegenstanders stonden voor „morally different universes”, twitterde hij. Tevergeefs. De discussie of neonazi’s en ‘antifa’ twee zijden van één medaille zijn, ging onverdroten door. Ook in de Lage Landen.

Twee formules waren de rode draad. Ten eerste het argument dat je beide flanken via een rekensom kunt wegen. Verdisconteer het aantal dodelijke slachtoffers van het nazisme met het dodental van het stalinisme en je kunt uitrekenen wie erger was: Hitler of Stalin. Ten tweede het idee dat de opmars van alt-right een koekje van eigen deeg is, een reactie van Amerikanen die door de politieke en culturele elites in de steek zijn gelaten. Het is een kwestie van tijd of de culture wars bereiken ook Europa, wordt erbij gezegd.

Klaar is Kees? Integendeel. Probleem is niet dat de elite selectief verontwaardigd is en niet luistert, eerder dat het establishment niet standvastig genoeg is. Die zwakte is link. In het verleden ging het vaak fout, als de elite zich als een juffershondje liet intimideren. Bewapend radicalisme krijgt juist kansen als het democratische establishment niet zeker is van zijn zaak.

Het omgekeerde is ook waar. De Rote Armee Fraktion strandde in de jaren zeventig op weerstand van de Duitse socialisten. Het waren de kanseliers Brandt (1969-1974) en Schmidt (1974-1982) die de met geweld flirtende ‘sympathisanten’ rond de RAF kapot speelden. Beiden scheerden met methoden als Radikalenerlass en Rasterfahndung langs de rand van wat liberale juristen toen en nu oorbaar vinden. Dat rechtsstatelijke oordeel was voor hen van later zorg. Ze wisten uit eigen ervaring wat er gebeurt als het democratische midden een politiek vacuüm laat ontstaan. Brandt en Schmidt kenden de doodstrijd van de Weimarrepubliek.

Duikt hier een godwin op, zo’n verwijzing naar de nazi’s waarmee elke internetdiscussie volgens de Amerikaanse jurist Mike Godwin uiteindelijk eindigt? Ja!

Er zijn allerlei oorzaken en aanleidingen op te sommen, die de ondergang van de Weimarrepubliek kunnen verklaren. In het kort is de terminale fase ook electoraal samen te vatten. Na de beurskrach van 1929 en de daaropvolgende economische crisis werd het politieke establishment namelijk via de stembus vermorzeld. Bij de Rijksdag-verkiezingen van 1928 hadden de gevestigde democratische partijen – de socialistische SPD, het confessionele Zentrum plus zijn Beierse pendant, de liberale Deutsche Demokratische Partei (DDP) en de Deutsche Volkspartei (DVP) – gevijven 58,6 procent van de stemmen. De SPD was met 29,8 procent dominant tegen 15,2 procent voor de confessionelen. Bij de laatste vrije verkiezingen eind 1932, twee maanden later uitmondend in de machtsovername door de nazi’s, was de aanhang van dit vijftal gekrompen tot 38,4 procent. Vooral van de twee liberalen partijen was gehakt gemaakt. Ze waren in vijf jaar gemarginaliseerd van 4,9 en 8,7 naar 1,0 en 1,9 procent. De nazistische NSDAP en de stalinistische KPD verwierven eind 1932 met 33,1 respectievelijk 16,9 procent precies de helft van de stemmen. In 1928 vertegenwoordigden ze nog maar eenzevende (10,6 en 2,6 procent) van het kiezersvolk.

De rest is geschiedenis. Anders dan Donald Trump kent Mitt Romney die geschiedenis.