Recensie

Waar is Lispector nu helemaal mee bezig?

In haar postuum vertaalde roman leidt de Braziliaanse Clarice Lispector je met zachte hand door de geest van een vrouw die durfde te denken.

Clarice Lispector Foto Paulo Gurgel Valente

‘Zal dit verhaal ooit mijn eigen stolsel worden?’ vraagt de schrijver van een verhaal zich nogal cryptisch en wat dweperig af. Om direct weer met beide benen op de grond te landen: ‘Weet ik veel.’

De schrijver, daar gaat deze roman over. De schrijver die een man is die Rodrigo heet, omdat ‘een vrouwelijke schrijver uit sentimentaliteit in grienen uit [zou] kunnen barsten’, maar die in alles Lispector ademt. En de schrijver schrijft over een meisje, Macabéa: een typiste met een gezicht ‘dat erom vraagt geslagen te worden’. Macabéa is een vrouw ‘als koud geworden koffie’ die zichzelf beschermt tegen de dood door minder te leven – veel onderneemt ze niet. Ze werkt. Gaat weleens naar de bioscoop. Heeft een foute vriend. Ze is best lelijk ook, en eigenlijk lijkt alles haar tegen te zitten, maar tot verbazing van schrijver en lezer lijkt ze daar niet erg onder gebukt te gaan.

Maar: waar gaat de roman over? Waar is Lispector nu helemaal mee bezig? Die tweede vraag is eenvoudig te beantwoorden, eenvoudiger dan het boek – waar je voor moet gaan zitten – te lezen is: het creëren van literatuur met de hoofdletter L. Het is een boek dat gaat over de vraag wat schrijverschap is, de offers die ervoor gebracht moeten worden (Rodrigo heeft geen seks, schrijft hij, kijkt niet naar voetbal, het gaat om taal, om schrijven). De roman gaat over de pijnlijke wetenschap dat er mensen op aarde rondlopen die geboren zijn voor het ongeluk en over het houden van die mensen, ook al verzin je ze zelf.

Lispector (1920-1977, geboren in Oekraïne, op zeer jonge leeftijd naar Brazilië verhuisd) is van de ‘herontdekten’ degene van wie je je kunt afvragen: waarom komt ze hier pas zo laat bovendrijven? Hoe kan het dat niet iedere literatuurstudent met haar proza om de oren is geslagen? In Brazilië is ze niet vergeten. Jarenlang verbaasde ze haar lezers. Zij volgden vaak met religieuze devotie haar crônicas in Jornal do Brasil, die gebundeld zijn in het Privé-domeindeel De ontdekking van de wereld.

Een blik op het wonder van scheppend schrijven

In Nederland (en de Angelsaksische landen) is Benjamin Moser, haar biograaf, een van haar fanatiekste ambassadeurs. In een interview zegt hij over zijn bewondering voor de schrijfster: ‘Verkocht. Als een gek. Ze weet het zelf niet, maar het was liefde op het eerste gezicht.’

Een gevoel van liefde op het eerste gezicht – gecombineerd met het idee dat je iets nieuws leest – is wat hordes mensen momenteel in de greep houdt als het gaat om het proza van Lispector. Terecht. Haar proza is, ook in Het uur van de ster, ongelooflijk mooi. Als je ervan houdt tenminste, want makkelijk behapbaar is het niet altijd: het roept vragen op, meer dan er beantwoord worden, en het werpt een blik op het wonder dat scheppend schrijven kan zijn: constant is Rodrigo aanwezig in het verhaal over het meisje. Hij twijfelt, hapert, weet niet hoe hij zijn verhaal moet opschrijven. Wil Macabéa een noodlot besparen.

Het uur van de ster toont Lispector als een schrijver die durft te denken, vrijelijk kan associëren en grappig is. Ze weet daarnaast ook doeltreffend de toon te zetten. Het moet maar duidelijk zijn: dit wordt een tragisch verhaal. ‘Ik moet iets toevoegen dat heel belangrijk is voor het goede begrip van het verhaal’, laat ze Rodrigo schrijven, ‘namelijk dat het van begin tot eind begeleid wordt door een lichte maar zeurende kiespijn. Ik garandeer ook dat de geschiedenis evenzeer begeleid zal worden door de klagelijke viool van een magere man die op de hoek van een straat staat te spelen. Hij heeft een smal geel gezicht alsof hij al overleden is. En misschien is dat ook zo.’

Ook schrijft Rodrigo: ‘De handeling van dit verhaal zal ertoe leiden dat ik transformeer in een ander en uiteindelijk materialiseer in een object. Ja, en misschien bereik ik de blokfluit waar ik me als een soepele liaan omheen zal winden.’

Hè? Een blokfluit? Een liaan? Wat vreemd, wat logisch tegelijk, want als je de verteller een beetje leert kennen snap je: dit is een kleine relativering, een raar geintje tegen al die problemen (het probleem van schrijven, het probleem van Macabéa). Alles is tragisch, diep, mooi en komisch. Maar bloedserieus gevangen in taal.

En dat meisje, die arme Macabéa waar Rodrigo over probeert te vertellen? Ze blijft maar lelijk en nutteloos, en moet het doen met de korte momenten waarop ze een staat van genade beleeft. Zoiets als een schrijver die even snapt waarmee ze bezig is, waarna het hem weer ontglipt, zodat hij – genade, genade! – weer verder moet schrijven. Het verhaal stolt nergens, komt niet tot stilstand. De schrijver kan alleen maar meegaan.