Pikkie noga en ander zoets

Zomerwoordhoek

geeft toptiens van taalfenomenen. Vandaag: zoetigheid.

‘Een van de leukste uitdrukkingen die ik ken is pikkie noga”, schreef een lezer mij onlangs. „Of ik die uitdrukking nu zelf gebruik of iemand anders, ik moet er altijd om glimlachen.”

Pikkie noga komt sinds het eind van de jaren zestig in het Nederlands voor. Het betekent ‘groentje’ of ‘onervaren persoon’. Om iemand terug te fluiten hoor je wel: „Pikkie noga zegt ook wat.”

Pikkie noga is een uitdrukking waarin zoetigheid een overdrachtelijke betekenis heeft gekregen. Daar zijn er meer van. Bovengenoemde lezer stuurde nog een paar samenstellingen en uitdrukkingen met zoetigheden, die ik hieronder heb aangevuld en van extra informatie heb voorzien.

1Bounty Wordt volgens verschillende naslagwerken gebruikt voor ‘zwarte (een Afrikaan, Surinamer of Antilliaan) die zich gedraagt als een blanke of die met de blanke maatschappij heult’. Genoemd naar de Bounty, een chocoladereep met witte kokosvulling.

2Chocola Simon Carmiggelt gebruikte in 1949 de zegswijze: ergens geen cake van kunnen bakken. Vanaf de jaren zestig had men het steeds vaker over ergens geen chocolade van kunnen maken of bakken, voor ‘ergens niets van terechtbrengen; ergens niet wijs uit kunnen’. Nieuws wordt soms met chocoladeletters gebracht en ook op affiches kom je dergelijke grote, vette letters vaak tegen.

3Deegsliert Wordt geregeld gebruikt voor een ‘dun persoon’, voor mannen en vrouwen. Uit het werk van Martin Bril: „Tegenover haar zat een deegsliert van een man met flaporen waarin grote zilveren ringen zaten.”

4Drop Volgens de Dikke van Dale wordt dropje in de jongerentaal gebruikt voor ‘sloom figuur’. Ik hoor het vaker in de betekenissen ‘poepie, schatje’ of ‘scheetje’ (het Nederlands kent opvallend veel fecale koosnaampjes). Droplul en dropveter worden beide gebruikt voor ‘sul’ of ‘sukkel’.

5Koek Jongeren kregen vroeger vaak billenkoek. Kletskoek, lariekoek en lulkoek worden op talloze plaatsen in grote hoeveelheden verkocht. Een bekende dooddoener luidt: lieverkoekjes worden hier niet gebakken. Opvoeders scheepten hier vroeger kinderen mee af die vaak ‘ik wou liever, ik had liever’ hadden gezegd. Een koekenbakker is een stumpert of knoeier. Als zoete koek, gesneden koek, een koekje van eigen deeg: er zijn nog diverse andere koekuitdrukkingen.

6Oliebol „Wat ben jij toch een ongelooflijke oliebol!” Dat hoor je vaak als alternatief voor onder meer flapdrol. Volgens de Dikke Van Dale werd oliebol in de soldatentaal gebruikt voor ‘rekruut’ en kan het ook ‘dronkenmansgezicht’ betekenen.

7Ouwe snoeper(d) „Gij zijt toch een oude snoeper!”, meldde de Nieuwe Rotterdamsche Courant in 1852. Tegenwoordig heeft men het meestal over een ouwe snoeper(d). Dit is altijd een man, terwijl oude of ouwe taart meestal betrekking heeft op een vrouw.

8Snoepje Veelgehoorde koosnaam met als betekenis ‘liefje’ of ‘schatje’. Maar er zijn ook mensen die bijvoorbeeld van een kleine auto zeggen: „Ach, wat een snoepje!” Snoeptafel wordt volgens Van Dale onder meer gebruikt voor ‘fraai, fors stel borsten’.

9Wafelmeisje Verouderd woord voor ‘prostituee’. Meisjes die vroeger wafels aan de deur of op een kermis verkochten, hadden de naam losbandig te zijn.

10Zoete broodjes Vleiers bakken zoete broodjes. Voorheen zei men ook wel: kleine of platte broodjes. A. Fokke Simonsz. gaf mannen in 1810 in De Vrouw is de Baas dit flirtadvies: „Zoo ge naar de Fransche manier wilt vrijen, dan moet ge […] vrij wat kleiner broodjes bij uw meisjes bakken.”

schrijft over taal. Twitter: @ewoudsanders