Column

Lowlands

Ellen

Dit weekend vindt de 25ste editie van Lowlands plaats en ik voel me daardoor stokoud, want oma kan zich nog herinneren hoe het er in de jaren negentig aan toeging. Ik was piepjong en wilde me op het festival met slechts zeven zaken bezighouden: zoenen, muziek luisteren, zoenen, diepe gesprekken voeren, zoenen, dansen, zoenen.

Het waren precies die dingen die ik als tiener elke dag wilde doen, naast natuurlijk wat sterke verhalen oplopen, want als uk is het vet stoer dat je Drie Hele Dagen gaat kamperen zonder je ouders. En zo flaneerde je daar, triomfantelijk om je volwassenheid en dolblij dat je achteraf zou kunnen opscheppen dat je tentje was weggespoeld (je eerste keer Lowlands was ook het moment waarop je ontdekte dat je een tent NOOIT in een kuil moet opzetten). Het was een zelfveroorzaakte ontgroening, en niemand die je daarna nog wijs kon maken dat je geen levenservaring had.

Vrijdag zal ik voor de negende keer aantreden in de Lowlands Bookstore en je merkt toch hoe je aftakelt. Vorig jaar liep ik over het terrein en was ik duizelig van alle indrukken. Ik vroeg me af hoe ik het eens wél allemaal volhield, al die geuren, kleuren, geluiden. Ik weet nog dat ik als bakvis uit elkaar leek te spatten van levensdrift en kan nu al terugkijkend slechts denken aan wat Chris Kraus daarover schrijft in I Love Dick: „Ik denk dat verlangen geen gebrek is, het is een overschot aan energie – claustrofobie in je eigen lichaam”. En inderdaad: mijn lichaam was destijds veel te klein voor de slagkracht die erin huisde. Nu lijkt mijn lichaam juist groter geworden, logger, minder veerkrachtig, en de brandhaard die er eens in huisde, is veranderd in een korenbloemblauwe waakvlam.

Gelukkig zal ik niet de enige zijn die met weemoed naar het vroegere gestel de weide van Biddinghuizen betreedt: er zijn naast jongeren ook altijd talloze dertigers en veertigers bij, die zich waarschijnlijk ook afvragen hoe ze het eens allemaal volhielden.

Wat was er vroeger in zo’n mate aanwezig, dat we het drie dagen lang probeerden te verdoven met behulp van keiharde muziek, slaapgebrek en schijnbaar eindeloos gestuiter? Was het inderdaad alleen maar overtollige energie waardoor ons lijf claustrofobisch aandeed?

Toen ik vorig jaar op de zaterdag, rond half tien ’s avonds, met mijn beste vriend (inmiddels ook 33) het terrein verliet, zei hij dat hij blij was dat hij met de jaren steeds minder verdoving nodig had. Misschien is dat wel de zegen van het dertigerschap: dat je de puf nog hebt om iets mee te kunnen maken, maar inmiddels ook heel erg blij bent om je afgestomptheid.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.