Recensie

Elvis, de koning die altijd zijn zin kreeg

Elvis Presley (1935-1977) Veertig jaar geleden overleed de koning van de rock ‘n’ roll. Hij is een mooi voorbeeld van culturele toe-eigening: het ‘stelen’ van zwart erfgoed door blanken.

Elvis Presley zingt in Lincoln (Nebraska) op 20 juni 1977 - twee maanden voor zijn dood. Foto Bettmann/ Contributor/Getty Images

Komt een verwarde man bij de poort van het Witte Huis en vraagt of hij de president kan spreken. Hij wil hem als kerstcadeau een pistool geven. En hij wil hem een badge van de narcoticabrigade vragen, voor zijn verzameling. In plaats van de gek meteen tegen de grond te werken, zegt de bewaker: ‘Geen probleem, meneer Elvis, loopt u maar door.’ En de president ontvangt hem met alle egards.

Dit is echt gebeurd: op 21 december 1970 kwam popster Elvis Presley, onaangekondigd op bezoek bij president Nixon. Deze ontmoeting van twee Amerikaanse iconen is onderwerp van de film Elvis & Nixon, die nu in de bioscoop draait. Kevin Spacey speelt de president, Michael Shannon speelt Elvis. Woensdag was het veertig jaar geleden dat de ‘koning van de rock ‘n’ roll’ overleed.

Even op bezoek bij de president, zo gaat dat als je koning Elvis bent: je krijgt altijd je zin, en niemand corrigeert je bizarre gedrag. Na een ruzie over de kerstcadeaus – hij had voor honderdduizend dollar aan pistolen en Mercedessen gekocht – had Elvis in verwarde toestand zijn huis in Memphis verlaten en was onder invloed van pillen naar Washinton gevlogen. Hij wilde aan de president zijn diensten aanbieden om jongeren van de drugs af te houden, en hen te waarschuwen voor de ‘vulgaire, onverzorgde Beatles’. (Die waren al uit elkaar, maar dat was hem misschien niet verteld.) Nixon ontving de ster omdat hij meende dat een ontmoeting met Presley zijn street credibility bij de jeugd zou vergroten.

Ze vergisten zich beiden. Nixon en Elvis waren in 1970 weliswaar populair bij het gewone volk, maar de hippe jeugd vond hen ouderwetse zakken. De president en de zanger begrepen niets van de culturele omwenteling die plaatsvond. Als vaste klant van menig apotheek zou Elvis met een anti-drugs-campagne hoe dan ook weinig indruk hebben gemaakt. In de jaren na de ontmoeting werd Nixon de nationale schurk, die voortijdig moest aftreden, en Elvis de nationale clown, die voortijdig stierf in zijn badkamer.

In de biografie Being Elvis – A Lonely Life vertelt Britse journalist Ray Connolly nog eens hoe de eenzame koning ten onderging. Er zijn al veel boeken over Elvis geschreven en de belangrijkste is de tweedelige biografie van Peter Guralnick uit 1994 en 1999. Maar hoewel dat boek alle andere Elvisboeken overbodig maakt, is het met 1.359 pagina’s wel erg volledig. Connolly schrijft een stuk compacter (384 pagina’s) en vlotter, en hij kan beter hoofd- van bijzaken scheiden.

Connolly concentreert zich op de psyche van Elvis. Zijn omgeving en tijd krijgen nauwelijks aandacht. Nadeel is dat je Elvis zo moeilijk kan plaatsen in zijn tijd. Voordeel is dat je een beetje kan invoelen hoe het moet zijn geweest onder de stolp, waar Elvis terechtkwam nadat hij tot koning was gekroond. Als vreemde stijlbreuk stapt de biograaf twee keer zelfs in het hoofd van Elvis en beschrijft hij wat hij denkt, bijvoorbeeld over de dreigende machtsovername door de Beatles in 1964.

Hier zingt de jonge koning ‘Hound Dog’ in 1956:

De Elvismythe heeft een mooi duidelijk begin. Sam Philips, kleine studio- en platenbaas te Memphis (Tennessee) is erg opgewonden over de zwarte rhythm & blues en blues in de stad, maar de markt is beperkt, en de zwarte luisteraars zijn arm. Kon hij maar een blanke jongen met een zwarte stem vinden, verzucht hij vaak tegen zijn office manager Marion Keisker. Dan komt in juli 1953 een verlegen 18-jarige schoolverlater in flamboyante kleding binnenlopen, om een plaatje op te nemen voor zijn moeder. Keisker zeurt Philips maandenlang aan het hoofd, tot de jongen mag terugkomen voor een sessie. Aanvankelijk zingt hij in die eerste sessie smachtende liefdesliedjes, maar als hij tijdens een pauze voor de lol een snelle, kale versie van de rhythm ‘n’ bluesnummer That’s Alright inzette, wordt ineens de rock ’n roll geboren.

Althans zo is de mythe. In werkelijkheid populariseerde Elvis bestaande genres, en gaf er een snellere, uitgeklede draai aan. Elvis is een mooi voorbeeld van culturele toe-eigening: het ‘stelen’ van zwart erfgoed door blanken. Hij zong voornamelijk zwarte covers, maar omdat hij de eerste blanke was die dat deed, werd hij gezien als de uitvinder van die muziek. En hij werd wereldberoemd, in plaats van zijn zwarte voorgangers.

Dat is natuurlijk tekenend voor het westerse racisme, maar een levende cultuur bestaat nu eenmaal bij de gratie van kruisbestuiving. En je kunt het Elvis niet verwijten. Hij hield van zwarte muziek en toonde zich dapper door die liefde als witte zuiderling uit te dragen. Hoewel de segregatiewetten het verboden, ging hij stiekem naar zwarte kerkdiensten en concerten om naar de muziek te luisteren. Zonder de popularisering door Elvis was de rhythm ‘n’ blues nooit zo groot en invloedrijk geworden.

Luister hier naar de 56 beste liedjes van Elvis:

Wat ging er mis met Elvis? Hij werd in korte tijd van verlegen vrachtwagenchauffeur een aanbeden god van de liefde, die zich nergens kon vertonen zonder besprongen te worden. Door de roem verloor hij zijn contact met de realiteit, en werd hij geestelijk nooit ouder dan 18 jaar. Ook werd hij stierlijk verwend. Hij was al een moederskind, en toen zijn moeder in 1958 overleed – een grote klap voor Elvis – nam de wereld het pamperen van haar over.

Dat verwende puberleven levert mooie verhalen op. Zo liep hij ooit een ziekenhuis binnen en zei dat hij graag een bevalling wilde bijwonen. Geen probleem, meneer Elvis, loopt u maar even mee. Zo stond Elvis aan het bed van een wildvreemde bevallende vrouw, aan wie niets was gevraagd. ‘Als die vrouw me al herkend heeft,’ zei Elvis na afloop, ‘zal ze denken dat ik een hallucinatie was.’ (Dit verhaal staat helaas niet in dit boek.)

Dat kun je nog als gekkigheid afdoen. Maar toen zijn vrouw Priscilla er met de karateleraar vandoor ging, gaf hij opdracht om de man te laten vermoorden. De huurmoordenaar was al besteld, maar Elvis zag er uiteindelijk toch vanaf: ‘We kijken het nog even aan.’

Volgens schrijver Peter Buwalda, die het voorwoord van de Nederlandse vertaling schreef, was kolonel Parker de grote boosdoener die Elvis kapotmaakte. De kolonel liet zijn ster in 31 wegwerpfilms met flutliedjes spelen, waardoor Elvis zijn carrière uitholde. En hij maakte hierna van Elvis een soort volkszanger, die in gokstad Las Vegas optrad voor dertigplussers aan tafeltjes.

Maar de kolonel was niet overal verantwoordelijk voor. Vanaf het moment dat Motown en The Beatles opkwamen in 1964, was Elvis hoe dan ook ouderwets geworden. Geen enkele rockster uit de jaren vijftig is het gelukt om die nieuwe poprevolutie te overleven. Van hen is Elvis er nog het beste in geslaagd om overeind te blijven. Hij heeft na die tijd bijvoorbeeld nog mooie gospel en country gemaakt.

En niemand, ook de kolonel niet, kon Elvis van de pillen afhouden. Het zal nooit helemaal duidelijk worden waar Elvis eindigde en waar de pillen begonnen, maar zijn rare stemmingswisselingen en zijn steeds dieper gravende depressie zullen zeker door de medicijnen zijn beïnvloed. ‘Ik ben nog liever bewusteloos, dan ongelukkig’, zei de koning voor hij stierf.

Luister hier naar de bronnen waar Elvis uit putte: