Duurder wordende medicijnen deels gevolg van overheidsbeleid

Farmaceutische Industrie

Nederlandse wetenschappers tonen aan dat overheidspogingen om de medicijnenprijzen te drukken averechts kunnen werken.

Foto iStock

Nieuwe geneesmiddelen worden steeds duurder, ondanks overheidsmaatregelen om de prijzen aan banden te leggen. En soms werken die prijsdempende maatregelen juist averechts, schrijven drie Nederlandse onderzoekers deze week in het wetenschappelijke blad PLOS ONE.

Overheden bedachten bijvoorbeeld zogeheten QALY’s, een bedrag dat een jaar langer in goede gezondheid leven mag kosten. Is een medicijn duurder dan dat, dan zal het niet gebruikt worden, hoe goed het ook is. „Maar geneesmiddelenfabrikanten zijn de QALY’s gaan gebruiken als richtprijs”, zegt Toine Pieters, hoogleraar geschiedenis van de farmacie aan de Universiteit Utrecht.

Pieters en zijn team doorzochten de wetenschappelijke literatuur en vier Engelstalige kranten (The Financial Times, The New York Times, The Wall Street Journal en The Guardian) op artikelen over medicijnprijzen. Samen met tweede auteur Carin Uyl-de Groot van het Erasmus MC zit Pieters in het bestuur van Cinderella, een non-profitorganisatie die nastreeft verwaarloosde en vergeten medicijnen tegen redelijke prijzen beschikbaar te maken voor patiënten. „Altijd als het over de grote farmaceutische industrie en de woekerprijzen ging, dan bleef dat hangen op het niveau van vermoedens. Daarom wilden we eens systematisch onderzoeken hoe deze marktmechanismen in elkaar zitten.”

De winstmarges in de farmaceutische industrie liggen met 15 tot 20 procent hoog ten opzichte van andere bedrijfstakken, concluderen de onderzoekers. „Zulke dubbele cijfers zijn de hoogste binnen het totale industrielandschap”, zegt Pieters. „Er is een volstrekte mismatch tussen ontwikkelingskosten en prijsstelling.”

Averechtse gevolgen

In hun artikel noemen de onderzoekers als voorbeeld het middel Gleevec (imatinib) tegen chronische myeloïde leukemie, dat in tien jaar tijd drie keer zo duur werd. En dat terwijl fabrikant Novartis er juist meer van verkocht. „Wat is de rationale daarvan?”, vraagt Pieters zich hardop af. „Dit is één voorbeeld, maar het gaat zo met nieuwe medicijnen over de hele lijn.”

Volgens Pieters is er een stilzwijgende acceptatie dat nieuwe medicijnen nu eenmaal duur zijn. Maar dat is gevaarlijk, zegt hij: „Een groeiend aantal artsen maakt zich daar zorgen over, want zo kunnen ze hun patiënten niet de beste zorg bieden. Het gaat ook ten koste van andere zorg.”

Altijd als het over de grote farmaceutische industrie en de woekerprijzen ging, dan bleef dat hangen op het niveau van vermoedens

Goed bedoelde maatregelen werken soms averechts. Bijvoorbeeld de invoering van het preferentiebeleid tien jaar geleden, waardoor artsen en apothekers verplicht werden een goedkoper generiek alternatief voor een merkmedicijn voor te schrijven. „Dat heeft het evenwicht verstoord”, zegt Pieters. „Grote farmabedrijven dekten hun overheadkosten gedeeltelijk ook met de winst op generieke middelen. Maar nu is de marge op generieke middelen opeens helemaal weggevallen. Dat betekent dat als farmaceutische bedrijven hun verkoopkantoren en advertentiebudget in stand willen houden, zij hun winst uit een steeds kleiner deel van de markt moeten halen.”

De onderzoekers concluderen dat overheden onbedoeld vruchtbare grond hebben gecreëerd voor hoge medicijnprijzen. Fabrikanten kun je het eigenlijk niet kwalijk nemen, vindt Pieters: „Je kunt de farmaceutische industrie makkelijk wegzetten als een stelletje boeven, maar ze hebben alle ruimte gekregen om het onderste uit de kan te halen. Bedrijven zijn er ondertussen heel goed in geworden in de maximale kostprijs te berekenen voor de ontwikkeling van een medicijn. Als overheid moet je dat gewoon niet toestaan.”

Gordiaanse knoop

Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Het systeem van prijsopbouw van nieuwe geneesmiddelen is een gordiaanse knoop geworden, waarbij fabrikanten, overheden, zorgverleners en patiënten innig met elkaar verweven zijn geraakt. Het is daarom niet makkelijk om nieuwe maatregelen te bedenken om de prijzen te dempen.

Pieters: „Een manier om dat te doen zou bijvoorbeeld zijn dat landen geneesmiddelen gezamenlijk inkopen en zo kwantumkorting kunnen bedingen. Maar de vraag is of de politieke wil er is om dit te veranderen. In Europa hebben bijvoorbeeld Frankrijk en Duitsland een grote farmaceutische industrie die zij willen beschermen. Dan wordt het een lastig verhaal.”

Een manier om dat te doen zou bijvoorbeeld zijn dat landen geneesmiddelen gezamenlijk inkopen en zo kwantumkorting kunnen bedingen

Een ander groot probleem is volgens Pieters de strikte geheimhouding die farmaceutische bedrijven afdwingen in prijsonderhandelingen met overheden. Dat geeft de industrie heel veel macht. In Nederland is dat helemaal een probleem omdat dure medicijnen zijn overgeheveld naar het ziekenhuisbudget. „De minister spreekt een richtprijs af en vervolgens moeten de ziekenhuizen individueel subonderhandelingen doen over de prijs. Opnieuw is dat geheim.”

Op deze manier zijn ziekenhuizen vastgeketend aan de industrie, zegt Pieters. „Als ziekenhuizen een geneesmiddel willen afschaffen omdat het te duur is, dan zegt de fabrikant bijvoorbeeld: dan doen we in jullie ziekenhuis geen betaalde klinische studies meer.”

In Nijmegen besloot de Maartenskliniek vorige zomer het dure reuma-middel Enbrel te vervangen door een goedkopere variant uit Zuid-Korea. Dat levert een besparing van miljoenen euro’s op jaarbasis op. Maar sommige patiënten kunnen niet zo makkelijk op een ander middel overstappen. Pieters: „De fabrikant van Enbrel heeft daarop de prijs verhoogd voor de patiënten in Nijmegen die het middel blijven gebruiken. Zo schiet het ziekenhuis zich uiteindelijk in de eigen voet.”