Recensie

De dichtersblik verheldert alles

Martin Reints

Deze dichter noteert wat hij ziet en herneemt zijn blik. Het levert intrigerende constateringen op.

Illustratie Paul van der Steen

Poëzie is in feite een beeldende kunst. Dit geldt zeker voor het werk van Martin Reints. Wie het tot nog toe niet herkende in zijn gedichten, kan dit inzicht niet ontgaan bij lezing van de korte essays in zijn nieuwe bundel, Wildcamera. In die beschouwingen beschrijft hij onder meer de schilderkunst van Peter B. van Houten en Emo Verkerk. ‘Bij het schilderen’, schrijft hij over Van Houten, ‘spelen altijd twee dingen: het snelle zien en het trage kijken. Het snelle ongecontroleerde waarnemen van de chaos om ons heen in zijn voortdurende veranderlijkheid. Waarbij je plotseling kiest: dit ga ik schilderen. En vervolgens het langzame kijken: hoe zie je diepte, hoe zie je een langsflitsend benzinestation, hoe zie je een hand die een glas aan het pakken is.’

Na herhaalde lezing van Wildcamera zie ik deze tekst ook als credo van Reints’ eigen dichtwerk. Emoties hebben daarin nauwelijks een rol, het is geen poëzie van het middenrif. Doorgaans vind ik dat een poëtisch tekort, maar niet bij Reints. Zijn teksten zijn rationeel, maar niet in de zin van ‘bedacht’. ‘Bedachtzaam’ is een beter etiket. Reints kijkt, noteert wat hij ziet, en herneemt dan zijn blik. Dit leidt soms tot intrigerende constateringen, zoals in de slotregels van ‘Portret van Christiaan Kuitewaard’: ‘wat we zien / zien we door het licht dat erop valt // maar wat we zien / zien we door de schaduwen die het werpt.’

Reints excelleert in dit soort quasi-tegenstellingen. Het ‘maar’ in bovenstaande regels suggereert een tegenstelling, maar schept in feite verbinding. En er valt veel te verbinden. De conclusie van Reints’ korte essay over een Fries openluchtspel concludeert dat dit spel een afbeelding van de wereld brengt en tegelijkertijd zelf een wereld is. Een ‘wereld omgeven door tal van andere werelden’.

In de voorgaande alinea’s van zijn beschouwing heeft hij deze nevenschikking van werelden hilarisch in beeld gebracht. Op de voorgrond van het speldecor staat een klein kippenhok met drie scharrelende kippen. Als het toneelstuk begint, hoort de dichter wel wat de toneelspelers zeggen, maar hij kijkt naar de kippen in hun hok. Die zijn aan het scharrelen en hebben geen enkele aandacht voor het spel. Ook als er enige agitatie wordt uitgespeeld, kijken ze niet op of om. En dan ziet Martin Reints ‘hoe ook de wolken hun eigen gang gaan in de lucht. Het begint te schemeren en de vleermuizen komen op insecten jagen. In een luchtlaag daarboven zijn de zwaluwen ook nog in de weer, ik heb dat nooit tegelijk gezien. En dan komt er een duif overvliegen op weg naar een van onze bomen. […] Het duizelt me als ik besef hoeveel werkelijkheden er naast elkaar bestaan. En hoe onafhankelijk van elkaar ze zich afspelen.’

Dit is het raamwerk van Reints’ verzen. Elk daarvan vertolkt een zoekend of zwermend blikveld. Een mooi voorbeeld is het gedicht ‘Verwaaid gras’:

Ik zeg niets

dan zeg ik dat ik niets zeg

en dan weer zeg ik niets

een leeuw ligt naar een meeuw te kijken

en doet langzaam zijn ogen dicht

ademt in, ademt uit, en knijpt zijn ogen verder dicht

een meeuw ziet een leeuw

draait zijn kop opzij

en zweeft weg in een van zijn luchtlagen

er zijn boomstronken, er is verwaaid gras,

poelen met riet, stroken zand

er is van alles

tot het verdwijnt

De blik van de dichter verschuift, en vervaagt dan. De notities worden kaal verwoord, zodat de lezer zijn eigen interpretatie kan vormen. Minimalistische poëzie zou je het kunnen noemen – maar boordevol beelden.

De samenhang van verzen en essays in Wildcamera is wederzijds bevruchtend. De essays verhelderen de dichtersblik, en de gedichten bezingen de thema’s en constateringen van de beschouwingen. In een tintelend essay over het ijsberen biedt Reints de taalkundige aspecten van dit door-en-door-Nederlandse woord. ‘IJsberen’ blijkt , in tegenstelling tot bijvoorbeeld lopen, een niet-handelingswerkwoord. Je kunt vergeten te lopen, maar je kunt niet beloven of vergeten te ijsberen. ‘Behalve natuurlijk op het toneel. Een regisseur kan tegen een toneelspeler zeggen: Vergeet niet te ijsberen. Op het toneel kan alles.’ En inderdaad, 36 pagina’s later volgt er een gedicht waarin een souffleur en een hoofdrolspeler samen oplopen: ‘dan zegt de souffleur: vergeet niet te ijsberen straks’.

Wildcamera is een zorgvuldig gecomponeerde bundel. Ook het omslag is weldoordacht. Ervaren vormgevers weten dat de omslagillustratie zich nooit een-op-een mag verhouden tot de titel. Voor Wildcamera is dit principe verrassend uitgewerkt. De titel van de bundel is aan een van de gedichten ontleend, de omslagfoto verwijst naar een ander gedicht, ‘De grootmoeder van Miwa Yanagi’. Dit vers beschrijft de foto van een oude waarzegster en acht jonge meisjes. Die foto is allerminst het product van een wildcamera. ‘De scène’, dicht Reints, ‘is geënsceneerd door Miwa Yanagi. // De oude waarzegster is zelf ook een jong meisje, / maar ze is opgemaakt en gefotoshopt: / de ouderdom is onecht en de pose is geposeerd.’