Opinie

Vijf jaar na Huizinge is er ook goed nieuws

Slechte communicatie creëerde een onnodig aardbevingsmonster, schrijft Manuel Sintubin.

Een scheurmeter aan het huis van de familie Van Dijken in Middelstum, Groningen. Foto Siese Veenstra

Waarschijnlijk heeft een ‘kleine’ aardbeving nog nooit voor zoveel maatschappelijk en politiek ophef gezorgd. Want dat heeft de aardbeving die op 16 augustus 2012 het Groningse Huizinge opschrikte, wel degelijk gedaan. In Groningen, maar ook in politiek Den Haag, is er een vóór en een ná Huizinge.

Na vijf jaar is de bladzijde van de Huizinge-aardbeving en de naweeën ervan nog steeds niet omgeslagen

Maar hoe staan de zaken nu, vijf jaar na Huizinge? Kijken we naar de aardbevingsdreiging, en dus ook het aardbevingsrisico, dan is er eigenlijk heel wat goed nieuws te vertellen. Want wat men ook beweert, feit is dat sinds 2016 de seismiciteit drastisch is afgenomen en alles wijst erop dat ook in 2017 de seismiciteit onder het voorspelde niveau zal uitkomen. Het is alleen spijtig dat dit goede nieuws volledig ondergesneeuwd raakt door het onvoorstelbare knoeiwerk rond de schadeafhandeling. Hierdoor zit Groningen nog steeds in een neerwaartse spiraal van angst, frustratie en wantrouwen. Na vijf jaar is de bladzijde van de Huizinge-aardbeving en de naweeën ervan nog steeds niet omgeslagen, maar dit had makkelijk gekund.

De wetenschappelijke kennis over de aardbevingen in en rond het Groningse gasveld is er zeker op vooruitgegaan. De inzichten over wat er gaande is ter hoogte van de breuken in het gasreservoir zijn sterk verbeterd. Er is een wetenschappelijke consensus over de maximaal te verwachten magnitude. De opeenvolgende seismische dreigingskaarten (de contourenkaarten) maken de lokale aardbevingsdreiging steeds beter in te schatten.

Een huis in het Groningse dorp Huizinge is zwaar beschadigd door de aardbevingen. Foto: Kees van de Veen

Alleen is de regie van het wetenschappelijk onderzoek nog steeds in handen van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM). Het wetenschappelijk onderzoek wordt dan ook vooral gestuurd vanuit een streven naar een optimale gaswinning met een minimale maatschappelijke overlast. Maatschappelijk relevante vragen blijven zo nog steeds onbeantwoord. Rond het hoe en het waarom van de oppervlakkige grondbewegingen en hoe deze in relatie staan met de seismische activiteit en de bodemdaling, gaapt bijvoorbeeld een gat in het onderzoek. Met een meer holistische, academische regie had het wetenschappelijk onderzoek op zulke maatschappelijk relevante vragen wellicht al een antwoord gehad.

In het voorjaar 2017 werd eindelijk het meet- en regelprotocol goedgekeurd door het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM). Dit protocol regelt vanaf nu de gaswinning in Groningen. Het is aan de NAM om het lage niveau van seismiciteit te bewaken door nauwgezet de seismische activiteit te monitoren en de gaswinning daarop aan te passen. Dit cruciale onderdeel van het recente winningsplan blijft echter onderbelicht. Actievoerders en politici blijven zich blind staren op de maximale hoeveelheid te winnen gas of de duur van het winningsplan, twee aspecten die eigenlijk bijzaak zijn geworden vanuit het perspectief van een gereguleerde gaswinning. Het inwerkingtreden van het meet- en regelprotocol is dan ook de belangrijkste maatregel sinds Huizinge.

Hand aan de kraan

Alleen: ook hier weer is het de exploitant, de NAM, die letterlijk de hand aan de kraan heeft. En niet – wat logischer zou zijn – de regulator, het SodM. Het versterken van de proactieve rol van het SodM in de gereguleerde gaswinning lijkt me dan ook op termijn meer dan wenselijk.

Dat het met de aardbevingsdreiging dus eigenlijk de goede kant uitgaat, is spijtig genoeg nog niet tot Groningen doorgedrongen. Dat komt doordat vijf jaar lang niet geïnvesteerd is in een degelijke wetenschapscommunicatie, een vertaling van de wetenschap van waarschijnlijkheden, dreigingsanalysen en piekgrondversnellingen naar een publieke wetenschap, waarbij in de eerste plaats een antwoord geboden wordt op de vragen en bekommernissen van de betrokkenen.

Deze lacune heeft het mogelijk gemaakt dat zich onder Groningers een alternatieve publieke wetenschap ontwikkeld heeft, die totaal ontkoppeld is van de echte wetenschap. Er is een apocalyptisch aardbevingsmonster tot leven gewekt dat de geesten van de gedupeerden verziekt heeft.

Hoe kan je in zo’n buitenproportionele context de Groningers dan duidelijk maken dat de aardbevingsdreiging effectief is afgenomen? Hoe kan je dan nog werken aan het reële veiligheidsgevoel?

Investeren in degelijke wetenschapscommunicatie blijft één van de sleutels om uit het Groningse debacle te geraken, los van schadeafhandeling.

En ook deze moet onder de regie staan van onafhankelijke academici, die met kennis van zaken de vertaalslag naar een publieke wetenschap over de Groningse aardbevingen en de mogelijke gevolgen kunnen maken.

Met dit fundament kan gewerkt worden aan een duurzame langetermijnstrategie die een aardbevingsveilige gaswinning moet faciliteren. Een eerlijke en begrijpelijke communicatie over de effectieve aardbevingsdreiging en hoe hiermee om te gaan, zorgt dat de overtrokken angst voor aardbevingen weggenomen wordt. Die herwonnen weerbaarheid tegen de aardbevingsdreiging is een belangrijke stap om eindelijk de bladzijde van de Huizinge-aardbeving om te slaan.

Op z’n Gronings: „Kop d’r veur!”