Musea in Arnhem en Utrecht kopen Cinema Olanda aan

Aankoop

De film Cinema Olanda van Wendelien van Oldenborgh gaat over de invloed van Nederlands koloniale verleden op het nu. Hij werd op de Biënnale van Venetië gemengd ontvangen.

Foto Daria Scagliola

Museum Arnhem en het Centraal Museum Utrecht hebben samen Cinema Olanda (2017) aangekocht, de nieuwste film van Wendelien van Oldenborgh (Rotterdam, 1962). De film ging afgelopen mei in première in het Nederlandse Rietveldpaviljoen, tijdens de Biënnale van Venetië.

De reacties op de film waren verdeeld. NRC noemde het diversiteitsvraagstuk dat Cinema Olanda aansnijdt „een belangrijk en actueel thema”. Maar: „Het is de vraag of haar nieuwe film aanslaat bij een internationaal publiek, dat minder bekend is met de Nederlandse koloniale geschiedenis.”

Cinema Olanda duurt vijftien minuten en bestaat uit één lange, bij de St. Bavokerk in de Rotterdamse wijk Pendrecht opgenomen ‘take’. Daarin komen veel verhaallijnen samen, doordat de verschillende deelnemers aan de film allemaal hun eigen, persoonlijke geschiedenis vertellen. Zo komt de massa-immigratie van Indonesiërs in de jaren vijftig aan bod, maar ook het verhaal van de in Suriname geboren activist Otto Huiswoud, die een van de eerste zwarte leden was van de Amerikaanse communistische partij.

In een gezamenlijke verklaring roemen de twee musea het filmisch oeuvre van Van Oldenborgh, dat zich sinds 2005 richt op de invloed van het Nederlandse koloniale verleden op het heden: „Met filminstallaties als Maurits Script (2006), No False Echoes (2008), Instruction (2009), La Javanaise (2012) en met haar recente werk Cinema Olanda (2017) geldt zij als een van de weinige kunstenaars die bijdraagt aan het post-koloniale discours.”

Over Cinema Olanda schrijven Museum Arnhem en Centraal Museum Utrecht: „De verhalen [van de deelnemers] laten een ander licht schijnen op het imago van de open, tolerante en moderne staat dat Nederland zich aanmeet – niet alleen tijdens de periode van de wederopbouw, maar ook vandaag de dag.” Met de aankoop van de film willen de musea „het werk zekeren voor de toekomst”.