Recensie

Megadeth is nog altijd het gekke neefje uit de metalwereld

Metalband Megadeth speelt nog steeds strak en precies. Ook het fraaie gitaarwerk blijft de moeite waard.

Megadeth op het Wacken Open Air Festival, 5 augustus. Foto Christophe Gateau/dpa via AP

Het is halverwege het concert van Megadeth in 013 in Tilburg, als bandmascotte Vic Rattlehead het podium opkomt. Meer dan een man in een net pak met een onnozel masker is het niet. Hij struikelt ook nog. Hij blijft wel overeind, maar weet verder dan ook niet zo goed wat hij met zichzelf aan moet en vervalt in de clichématige metalgroet en wat onhandig geheadbang, voordat hij bij het volgende nummer weer vertrekt.

Dat toneelstukje doet Megadeth al jaren tijdens klassieker ‘Peace Sells’, en het is een van de aanwijzingen dat de band altijd een beetje het gekke neefje is gebleven van de top van de metalwereld. Ze hebben die kluns van een mascotte, maar ook de albumtitels zijn onbeholpen (van So Far, So Good, So What? tot Th1rt3en) en ze hebben een frontman die bij een groot publiek meer bekend staat om zijn streng-conservatieve uitspraken over vrouwen, homo’s en Obama, dan om zijn muziek.

De onuitputtelijke riff-machine

Dinsdagavond bleef Dave Mustaine godzijdank gefocust op de muziek. Knarsetandend zegde hij zijn teksten nauwelijks verstaanbaar op, maar tegelijk liet hij met zijn band ook horen hoe ze überhaupt ooit tot de metaltop zijn toegetreden. Mustaine mag dan een onuitstaanbare conspiracy-mafketel zijn die niet voor niets ooit uit Metallica is geknikkerd, hij is wel een onuitputtelijke riff-machine.

Strak en precies ramden ze zich in bijna twee uur door een dwarsdoorsnede van het oeuvre, met heerlijke songs als ‘Hangar 18’, ‘A Tout Le Monde’ en het maffe ‘Sweating Bullets’, waarbij opvalt dat ook nummers van laatste plaat Dystopia prima in de set passen - mede dankzij het fraaie gitaarwerk van nog vrij nieuwe gitarist Kiko Loureiro. Het snijdende ‘The Threat is Real’ zullen ze de komende jaren hopelijk niet van de speellijst schrappen.