Recensie

Geplaagd door antisemitisme, gedreven door vooruitgang

Beeldende kunst

In het Joods Historisch Museum is het werk te zien van negentien Joods-Hongaarse kunstenaars. Hun misère is er niet aan af te zien.

De schilder Dezsö Czigány werd geboren in een arm Joods gezin in Hongarije, in 1883. Hij leed aan depressies en vermoordde zichzelf en zijn gezin vlak voordat de Tweede Wereldoorlog begon. Verrassende informatie als je zijn portret van een actrice ziet (geschilderd in 1907), met een roze-groen gezicht en rood gestifte lippen. Hoe kan zijn werk zoveel vrolijkheid uitstralen? Het is een gedachte die terugkeert tijdens het bezoek aan Van fauvisme tot surrealisme in het Joods Historisch Museum.

Te zien is het werk van negentien Joods-Hongaarse kunstenaars, gemaakt in de eerste helft van de twintigste eeuw. Hun werk is vrijwel onbekend buiten Hongarije en nu voor het eerst in Nederland te bekijken. De kunstenaars werden vanaf de jaren twintig geconfronteerd met het groeiende antisemitisme. Maar de bezoeker ziet niet zozeer de misère als wel de experimenteerdrift in de avant-gardekunst.

Aan het gebruik van moderne stijlen is te zien dat de kunstenaars, al dan niet gedwongen, zeer bereisd waren. De schilderijen aan het begin van de tentoonstelling zijn geïnspireerd op het fauvisme uit Frankrijk, met haar vereenvoudigde vormen en felle kleuren. In de landschapsschilderijen is het gras groen, paars en roze. Een paar ruimtes verder zijn kubistische invloeden zichtbaar, zoals in het werk van Béla Kádár, die gefascineerd lijkt door sprookjesachtige paarden. En Armand Schönberger experimenteerde met een Italiaans-futuristische stijl, te zien in zijn fragmentarische schilderij van een afgeladen café in Boedapest.

Niets aan de kunstwerken verraadt dat ze door Joden zijn gemaakt. Op een paar zelfportretten na, zoals die van Róbert Berény. Hij brengt zijn Joodse trekken bijna karikaturaal in beeld, met dikke pruillippen en een flinke gok. Een hoge hoed onderstreept dat Berény deel uitmaakte van de moderne cultuur.

De kunstenaars die niet op tijd naar het buitenland waren gevlucht en hun Joodse identiteit niet konden verbergen, werden tijdens de Tweede Wereldoorlog tewerkgesteld in de Hongaarse Arbeidsdienst en stierven aan tuberculose. Overlevenden brachten het er niet veel beter vanaf. Zo kwam Béla Kádár na de Tweede Wereldoorlog in het getto van Boedapest te wonen, waar zijn vrouw en zoon verhongerden. Hij overleefde door in een apotheek te werken en bleef kunst maken, getuige de tekeningen op de achterkant van medicijnrecepten.

Pas in de laatste zaal zijn de littekens van het onrecht zichtbaar in de kunst. Met name het beklemmende werk van Lili Ország maakt indruk. Na de Tweede Wereldoorlog schilderde ze lege ruimten en hoge muren, met surrealistische elementen. Voor een gigantische kerk op een verlaten plein zweeft een eenzame zilveren bal, in de lucht geschopt door een nietig figuur. De moderne beeldtaal drukt niet langer speelsheid uit, maar dreiging en eenzaamheid.