Column

Dichter en schilderes

In Domburg woonden twee kunstenaars die ik bewonder: de schilderes Sárika Góth (1900-1992) en de dichter J.C. van Schagen (1891-1985). Omdat Domburg zijn culturele verleden terecht koestert, zijn er nog voldoende sporen van hen in het stadje aan te treffen. Van Schagen is de bekendste van de twee, naar hem is zelfs de boulevard vernoemd.

De boulevard bevindt zich dicht bij het zomerhuisje van Van Schagen, die in zijn latere jaren elders in Nederland woonde. Het is een eenvoudig huisje, te vinden achter de huizenrij (ter hoogte van nummer 5) aan de Van Voorthuijsenstraat. Van Schagen hoefde maar een weggetje uit te lopen om de zee te kunnen zien. Zit er daarom zoveel ‘zee’ in zijn werk?

Ik moet denken aan Kaap, een van zijn mooiste gedichten. voorbij de punt/ daar is een zee, die niemand kent/ het is daar altijd mistig/ en wie daar verdween/ keert niet weer terug/ er zijn verhalen – niemand weet – / alleen die mist/ waar nimmer nog iets is gezien/ en dan dat stille trekken van het water/ dat wijzen, dat geen schip weerstaat/ er is een heimelijk stromen, dat niet aflaat/ en het gaat daarginder heen/ waar – één na één/ verdwijnt.

Sárika Góth en Van Schagen zijn met elkaar bevriend geweest. Zij waardeerde de speelsheid van het werk van Van Schagen, die ook beeldend kunstenaar was.

De poëzie van Van Schagen, vooral zijn klassieke bundel Narrenwijsheid, kende ik al goed toen ik in 2003 in een Amsterdamse kunsthandel voor het eerst een schilderij van Sárika zag en kocht: een grijze kat met een rood neusje die een speeltje vasthoudt.

Zo’n aankoop schept een band, je wilt meteen zoveel mogelijk van de schilder weten. Sárika werd in 1900 in Wenen geboren uit Hongaarse ouders die beiden kunstschilder waren en veel reisden. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vluchtte het gezin vanuit België naar Nederland. Ze kwamen in Domburg terecht, waar vader Maurice, ook een voortreffelijke figuratieve schilder, opgenomen werd in de kunstenaarsclan rond Jan Toorop, waartoe ook Piet Mondriaan, Arthur van Schendel en Richard en Henriëtte Roland Holst hoorden.

Tussen de gezinnen Góth en Van Schendel groeide grote vriendschap, Van Schendel bemoeide zich ook met Sárika’s toekomst. Ze wilde schrijfster worden, maar hij raadde haar, met het oog op haar tekentalent, de beeldende kunsten aan. Ze bouwde eerst een reputatie als portretschilder op voordat ze zich overgaf aan vrijer werk.

Tot op hoge leeftijd, ze was inmiddels woonachtig in Veere, bleef ze schilderen. „Als ik niet schilder haal ik geen adem meer”, zei ze. „Dan ben ik toch dood.” En: „Schilderen is het enige dat me niet vermoeit.”

Ze bleef ongetrouwd. In de publicaties over haar stuit ik alleen op „een korte romance” met de schrijver Johan Fabricius. Hij wilde met haar trouwen, maar zij trouwde liever met de Kunst; dat noemde ze „het belangrijkste in het leven”, „het bastion” waarop ze zich „van kindsbeen had teruggetrokken”.

Ze woonde, zoals ook uit een plaquette naast de voordeur blijkt, met haar ouders op de hoek van de Singel en de Stationsstraat in Domburg. Verderop, in het aardige Marie Tak van Poortvliet Museum, zijn enkele fraaie schilderijen van haar en haar vader te bewonderen.