De groeispurt van de Nederlandse economie in vijf trends

Hoogconjunctuur

De Nederlandse economie breekt het ene record na het andere. Ten opzichte van vorig jaar groeide de economie met 3,3 procent. Dat is niet meer vertoond sinds het uitbreken van de financiële crisis.

Consumenten geven de economie een zet. Behalve aan hun huizen gaven Nederlanders in het tweede kwartaal ook meer uit aan kleding en in de horeca. Foto iStock

Een „recordregen” was het woensdag, zei de hoofdeconoom van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Peter-Hein van Mulligen. Hij sprak bij de presentatie van een stroom cijfers over de Nederlandse economie.

De groei van het bruto binnenlands product (bbp) in het tweede kwartaal bedroeg 1,5 procent ten opzichte van een kwartaal eerder. Ten opzichte van een jaar geleden is de economie met 3,3 procent gegroeid. 3,3 procent is ook het groeicijfer waarvan het Centraal Planbureau, dat woensdag eveneens nieuwe ramingen presenteerde, uitgaat voor het hele jaar 2017. Sinds het uitbreken van de financiële crisis, nu tien jaar geleden, is dergelijke groei niet meer vertoond.

Nog een paar records: het consumentenvertrouwen ligt op het hoogste niveau in tien jaar. De toename van het aantal openstaande vacatures was met 20.000 de grootste sinds 2006. Er zijn bijna 200.000 meer banen dan een jaar geleden, de sterkste stijging sinds de periode van hoogconjunctuur van vlak voor de crisis. De huidige hoogconjunctuur komt daar nu bij in de buurt. Wat zijn de belangrijkste kenmerken van de groeispurt die Nederland nu doormaakt?

  1. Nederland maakt een inhaalslag op de buurlanden

    Nederland presteert nu beter dan zijn buurlanden. De 1,5 procent kwartaalgroei in Nederland wordt in Duitsland (0,6 procent), Frankrijk (0,5), België (0,4) en het Verenigd Koninkrijk (0,3) niet gehaald. Maar als je enkel kijkt naar het laatste kwartaal, verlies je het perspectief uit het oog. Nederland is bezig aan een inhaalslag. Het Nederlandse bbp ligt nu 11 procent hoger dan in 2009. Duitsland en het Verenigd Koninkrijk zijn al 16 procent rijker. Tot voor kort waren ook België en Frankrijk sinds de crisis meer gegroeid dan Nederland, hoewel Nederland deze landen nu heeft ingehaald.

    Daarvoor is vooral één verklaring: de economie in Nederland is, meer dan elders, afhankelijk van de woningmarkt. Dalende huizenprijzen droegen sterk bij aan de dubbele recessie in Nederland (2009 en 2012-2013). Nu doen stijgende huizenprijzen het tegenovergestelde. Die jagen de investeringen aan (de woninginvesteringen liggen nu 14 procent hoger dan een jaar geleden) en ook de consumptie: mensen kopen keukens en loungebanken voor op het terras. Ook hebben hogere huizenprijzen altijd een gunstig effect op het algehele vertrouwen in de economie.

  2. Alle raderen van de economie draaien nu

    Volledig afhankelijk van de woningmarkt is de economie niet. Nederland is traditioneel een exportland. Nederland verdient zo’n 30 procent van zijn bbp via de export. Wat dat betreft blijft het voor de wind gaan. Het volume van de goederenexport was in juni 11 procent groter dan in juni 2016, de grootste stijging in 6,5 jaar. Belangrijk voor het bbp is dat niet alleen de zogeheten wederuitvoer groeit – het invoeren en dan weer uitvoeren van goederen – maar ook de export van goederen van eigen makelij. Daaraan verdient Nederland het meeste. In juni gingen onder meer (elektrotechnische) machines en chemische producten de grens over. De omstandigheden zitten mee: de rest van de eurozone, de belangrijkste afzetmarkt voor Nederland, doet het ook goed.

    Consumenten geven de economie verder een zet. Behalve aan hun huizen gaven Nederlanders in het tweede kwartaal ook meer uit aan kleding en in de horeca, waar ook buitenlandse toeristen overigens steeds meer uitgeven. En bedrijven hielpen de economie ook een handje, met forse investeringen in onder meer leaseauto’s in en ICT.

  3. Er ontstaat krapte op de arbeidsmarkt

    De hoogconjunctuur levert banen op, veel banen. Oud of jong, lang of kort werkloos, de situatie wordt beter. Banengenerator nummer één is de uitzendsector. De helft van alle banen die er de afgelopen drie jaar per saldo zijn bijgekomen, kwam voor rekening van uitzendbureaus, schrijft het CBS. Andere sectoren waarin veel banen ontstaan zijn de handel (niet verwonderlijk gezien het exportsucces) en de bouw (gedreven door de woningmarkt).

    De werkloosheid daalt. In het tweede kwartaal waren 452.000 personen werkloos, 19.000 minder dan een kwartaal eerder. Een werkloosheid van nu 5 procent van de beroepsbevolking betekent ook dat er krapte ontstaat op de arbeidsmarkt. Tegenover elke openstaande vacature staan nu gemiddeld 2,2 werklozen die een baan zoeken. Een jaar eerder waren dat er nog 3,6. Ondernemers rapporteren aan het CBS dat ze het steeds lastiger vinden om aan goed personeel te komen.

  4. De lonen blijven achter bij de economische groei

    Een krappe arbeidsmarkt zorgt doorgaans voor hogere lonen. Immers, wie als werkgever goed personeel wil binnenhalen, zal ook iets te bieden moeten hebben. „Gek genoeg zie je dat nu nog niet echt gebeuren”, zei Van Mulligen van het CBS. Al een paar jaar bedraagt de stijging van lonen in cao’s zo’n 1 à 2 procent.

    Hetzelfde fenomeen is zichtbaar in andere economieën, zoals de VS, waar de lonen ondanks de lage werkloosheid (4,3 procent) ook niet willen aantrekken. Economen wijzen onder meer op sterk gewijzigde verhoudingen op de arbeidsmarkt. Het aantal flexibele banen (denk aan uitzendbanen of zzp-constructies) neemt toe. Daar wordt over het algemeen minder verdiend. Zo is er op de arbeidsmarkt nieuwe stijl niet alleen opwaartse druk op de lonen, maar ook neerwaartse druk. Er is altijd een flexkracht die het goedkoper kan. Ondertussen gaat het met de bedrijfswinsten over het algemeen uitstekend.

    Oproepen van instituten als De Nederlandsche Bank aan bedrijven om de lonen te verhogen, lijken tegen dit soort fundamentele verschuivingen op de arbeidsmarkt niet te zijn opgewassen.

  5. De stijging van consumentenprijzen blijft laag

    De lage loongroei werkt weer door in een andere opvallende trend: de sterke bbp-groei leidt amper tot hogere consumentenprijzen. De inflatie bedraagt nu iets meer dan 1 procent. Weliswaar is dat 1 procent meer dan een jaar geleden, maar in tijden van hoogconjunctuur mag meer worden verwacht.

    Lage loongroei en lage inflatie werken wederzijds versterkend. Omdat bedrijven niet op kosten worden gejaagd door werknemers die hoge lonen eisen, kunnen zij ook hun prijzen laag houden. Omgekeerd stellen vakbonden doorgaans minder hoge looneisen als de inflatie laag is.

    Omdat de lonen wat sneller stijgen dan de inflatie, houden consumenten wel wat extra’s over in de portemonnee, zij het nog steeds weinig. De koopkracht van huishoudens neemt volgens het CPB dit jaar toe met gemiddeld 0,3 procent, in 2018 met 0,5 procent.