Column

Zomerse trekvogels in het ouderlijk nest

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: de verplichte ontruiming van de studentencampus tussen mei en september.

Illustratie Eliane Gerrits

Eind juni stond ik in een lange rij voor de dorm, de studentenkamer van mijn zoon op de universiteitscampus. Hij werd er onbarmhartig uit gegooid. Alles wat we in september in zijn kleine kamertje naar binnen hadden gebracht – toiletspullen, kleren, een bedlampje, mijn oude bankje, de Nederlandse vlag voor aan de muur – konden we er nu weer uit dragen. Aangevuld met een zak vuile voetbalsokken en een verzameling frisbees.

Ik was niet alleen. Alle ouders van de freshmen, de eerstejaarsstudenten, waren er weer. De Koreaanse vader die vorig jaar een enorme doos instantnoedelsoep naar binnen had gebracht, droeg nu dezelfde doos naar buiten, gevuld met lege bakjes. Ergens onderaan zaten een paar bierblikjes weggemoffeld. Zijn dochter liep er even quasi-ongeïnteresseerd achteraan, alsof ze wilde zeggen: ik hoor hier niet bij. En daar was de Indiase familie met de drie beeldschone kleine zusjes die allemaal één doosje droegen.

Een jaar geleden liepen wij met een kaart in de hand op zoek naar de exacte locatie van de kamer, enigszins nerveus in het vooruitzicht ons kind dezelfde dag achter te moeten laten. We wierpen een nieuwsgierige blik op de andere studenten. Zouden dat zijn vrienden worden? Mijn zoon en ik maakten samen het bed op, met het nieuwe dekbed dat we de week daarvoor uitgezocht hadden. Ik probeerde de matras uit. Zou hij daarop wel lekker kunnen slapen?

Dat in- en uitruimen van kamers is een jaarlijks ritueel in Amerika. Gedurende de lange zomervakantie, van mei tot september, moeten de studenten het zelf maar uitzoeken. De kamers moeten leeg, want de campus wordt gebruikt voor zomercursussen. En dus gaan ze weer naar huis, waar ze in hun vertrouwde bed slapen en weer moeten leven onder de huisregels van hun ouders. Alsof er niets is gebeurd.

In Nederland zijn kinderen het huis uit als ze op kamers gaan wonen, hier wonen ze voor je het doorhebt weer maandenlang onder je dak. En omdat vrijwel alle vrienden van mijn zoon weer naar huis terugkeren, zijn we weer terug bij af, in de middelbareschooltijd.

Het jaar op campus heeft ze nauwelijks veranderd. Nog altijd die kinderlijke gezichten, dat giechelige, onhandige wegkijken wanneer ze binnenkomen. „Hoe was je jaar?”, vraag ik. „Goed”, zeggen ze, hun blik gericht op onze voorraadkast. De onverzadigbare berehonger is gebleven.

Midden in de nacht schiet ik wakker van gekke geluiden. In mijn pyjama ga ik op onderzoek uit. Beneden zijn alle lampen aan. De keuken zit vol kinderen. Overal chips en cola. Ik ruik de geur van aangebakken hamburgers en popcorn. Aan de tafel zitten mijn kinderen hun Amerikaanse vrienden pesten te leren. „Heertje nog een keertje”, probeert een van hen mijn zoon na te zeggen.

Er zijn ouders die er gek van worden: opstaan als hun kinderen pas gaan slapen. Maar ik vind het heerlijk dat ze als trekvogels in de zomer in mijn huis komen nestelen. Ik geniet ervan mijn kinderen weer allemaal onder een dak te hebben. Niets mooiers dan voortdurend boodschappen te doen en te gaan slapen in de geur van gebakken eieren met spek. Nee, ik ben nog lang niet toe aan een leeg nest.

Reacties naar pdejong@ias.edu