Column

Op een terras in Domburg

Duitse toeristen komen nog steeds graag naar Zeeland, kon ik de afgelopen weken weer eens vaststellen in de badplaats Domburg. De Duitse toerist was daar alomtegenwoordig. In hotels, aan het strand en op terrassen. Daar is niets op tegen, want het is een prettig soort toerist, vriendelijk, zelden luidruchtig.

Ik zie zelfs een zeker voordeel. Wil je als Nederlander op je vakantie zo min mogelijk landgenoten tegenkomen, dan is Zeeland een goede keus. Er waren zó weinig Nederlandse toeristen in Domburg dat het me opviel als iemand van Nederlandse afkomst bleek. Daar waren zelfs enige bekendere Nederlanders bij. Ik had gehoopt op ex-premier Jan Peter Balkenende, Zeeuw van geboorte, maar het pakte anders uit.

Op een morgen zag ik mijn vrouw bij het ontbijtbuffet in ons hotel even praten met een oudere man, in wie ik na enig piekeren Ursul de Geer, van die tv-talkshow uit de jaren negentig, herkende.

„Wat stond jij nou met Ursul de Geer te smoezen?”, vroeg ik jaloersig toen ze met haar bordje naar onze tafel terugkeerde.

Ze keek me verbaasd aan. „Wie? Ursul de Geer? Ik kende die hele man niet.”

Dat moet je dan maar geloven. Een van die dagen liepen we op de Badhuisweg langs het terras van het chique restaurant Het Badpaviljoen, dat ooit geopend is door Balkenende. Daar zat Jort Kelder met enkele vrienden ontspannen van zijn vrije tijd te genieten.

„Jort is er ook”, zei ik kort.

„Het zou mij niet zijn opgevallen”, zei ze. Hoorde ik iets van een verwijt?

„Straks komen we ook nog Wierd Duk tegen”, mopperde ik, „op die manier kom je nooit van de Nederlandse televisie af.”

Ze hoorde het niet, omdat een meeuw krijsend over haar heen scheerde. Op een andere middag streken we neer op het terras van het restaurant In den Walcherschen Dolphyn. Het was marktdag, wat betekende dat het toch al schaarse stedelijke schoon van het centrum door de kraampjes geheel aan het oog onttrokken werd. We gingen tegenover elkaar zitten en raadpleegden de lunchkaart. Af en toe keek ik aandachtig over het goedgevulde terras – een soort beroepsafwijking – tot mijn blik op een in een bruin truitje gehulde man bleef rusten. Nee toch. Já toch.

„Weet je wie daar zit?” vroeg ik.

„Ursul de Geer?”, glimlachte mijn vrouw.

„Niet omkijken”, beval ik, maar het was al te laat. Ze zei: „Ik zie niets bekends.”

„Wierd Duk”, zei ik.

„Wie is dat ook weer?”

„Dat is die zéér rechtse journalist die altijd zo enthousiast voorspelt dat er burgeroorlogen en wereldoorlogen aan komen door de immigratie, de islam én door onze afkeer van Poetin.”

„Die man die jij steeds zo snel mogelijk wegzapt?”

Ik knikte en merkte hoe jammer het is dat er voor het gewone leven geen afstandsbediening bestaat. Nu bleef Duk in mijn blikveld, terwijl hij in de ruimte achter mijn vrouw onbekommerd een telefoongesprek voerde en in een grote tosti hapte. Hij had er vandaag weer veel zin in.

Toen hij in het gewoel van de markt was verdwenen, zei ik somber: „Duk is niet voor niets in Domburg. Misschien komen de Russen wel. Hij weet vast meer, Duk weet altijd meer.”