Column

Minachting

De zomer is een periode waarin je volgens de dokter moet ontspannen en dus vulde ik de afgelopen maanden met lesgeven, want je komt uit een docentenfamilie of niet. Ik gaf aan enthousiaste tieners workshops verhalen schrijven. Dat was leuk maar ook verdrietig, omdat de meeste leerlingen geen hoge pet leken op te hebben van hun eigen kunnen. De een bedacht prachtige metaforen à la Couperus maar wilde juist even kort en bondig schrijven als Bordewijk. Een ander had essaywedstrijden gewonnen maar gaf niets om haar scherpe analyses: zij wilde toneelschrijver worden en kon wel janken om haar dialogen. En zo ontdekte ik dat de jongeren aan wie ik lesgaf de dingen waar ze van nature goed in waren, minachtten.

De generatiehaters onder ons zullen nu zeggen dat de jeugd van tegenwoordig al arrogant genoeg is en dat ze weleens wat kritischer naar zichzelf mag kijken. Maar de meerderheid van de jongeren die ik deze zomer tegenkwam kenmerkte zich juist door onzekerheid en twijfel. Met als gevolg dat ze ook niet geloofden in de dingen waar ze wél goed in waren.

De meeste mensen zijn sowieso niet echt trots op de dingen die ze van nature kunnen. Omdat we vaak denken dat we eerst moeten afzien om iets te verdienen. We applaudisseren voor degene die na maanden uithongering eindelijk weer in maat 40 past, maar we kijken neer op iemand die zijn overtollige vetranden laat verwijderen door een plastisch chirurg. We mogen pas trots op iets zijn als we ervoor hebben geleden.

Zo probeerde ik een zomer lang jonge mensen in te laten zien dat het oké is om jezelf te ontwikkelen, maar dat je ook blij mag zijn met wat je al kan. Het is al erg genoeg dat we de neiging hebben onszelf stom te vinden, maar het wordt belachelijk als we daardoor onze talenten over het hoofd te zien. Stel dat Madame Curie zo naar zichzelf keek, van: ‘Ja, ik ga wel lekker op het periodiek systeem en daarom moet ik mezelf specialiseren in klompen snijden.’ De gevolgen zouden niet te overzien zijn geweest.

Een van mijn leerlingen was ervan overtuigd dat ze totaal geen verbeelding had terwijl ze de ene na de andere overtuigende passage schreef.

Ik: „Je persoonsbeschrijvingen zijn weergaloos.”

Zij: „Ik heb een rampzalig oog voor detail.”

Ik: „Je bent zo goed in het tonen van de ruimte.”

Zij: „Ik heb onvoldoende verbeeldingskracht om iemands onderarm overtuigend op papier te zetten.”

En ik dacht: in haar pogingen zichzelf te minachten, kent de mens geen grenzen. Misschien is dat het enige vlak waarop onze fantasie echt eindeloos is.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.